Wie op een vecht- of verdedigingssport als judo besluit te gaan, hoopt vaak om uiteindelijk de zwarte band te behalen. In veel gevallen blijft het bij die hoop. De meerderheid van de judoka’s komt niet verder dan de bruine band. Dit is één niveau onder zwart. Ouders gaan er vaak vanuit dat het aan motivatie ligt. De bruine band is hoog genoeg, er is geen reden om al die moeite te doen voor de zwarte band. Toch lijkt er iets anders aan de hand te zijn. Wat belemmert de leerlingen om de laatste stap richting zwart te zetten?

Dat het aan motivatie ligt is nog niet zo’n gek idee. De meeste judoka’s met een bruine band zijn ouder dan 16. Dit blijkt uit cijfers van de Judo Bond Nederland (JBN). Vanaf je 16de mag je officieel examen doen voor de zwarte band. Dit is echter geen ideale leeftijd: de jongeren krijgen het druk met school, zijn op zoek naar een vervolgopleiding en laten sport vaak achterwege. Wendy van de Vrught, lid van de organisatie van judodistrict Oost-Nederland, vertelt over haar eigen ervaring. “Zelf heb ik een zoon van 16 jaar, die ook een bruine band draagt. In zijn geval speelt school een rol. Hij zit op een vwo-tweetalige opleiding, waar hij veel tijd en energie in moet stoppen. Het examen zou hij kunnen halen door een half jaar of meer intensief te trainen. In zijn geval boeit het hem ook niet of hij een bruine band draagt of een zwarte.”

Deze ervaring lijkt het voor de hand liggende antwoord te bevestigen: leerlingen zijn gewoon niet gemotiveerd genoeg, of hebben te weinig tijd. En toch zit er een addertje onder het gras. Uit een enquête, afgenomen onder jonge judoka’s, blijkt dat bijna 80% van de ondervraagden wel gemotiveerd genoeg is. Op de vraag of ze voor zwart willen gaan, geeft vrijwel iedereen hetzelfde antwoord: “Ja, een bruine band bewijst alleen dat je lang op judo zit. Zwarte band betekend dat je echt goed bent.” Als het niet aan de motivatie van de leerlingen ligt, waar zit het probleem dan?

De eisen

Er is één groot verschil tussen de examens tot en met de bruine band, en die van de zwarte band. De examens tot en met de bruine band worden afgenomen door de trainers van de lokale club zelf. Dit betekent dus dat de trainers beslissen of de leerlingen van hun eigen club een hoog genoeg judoniveau hebben bereikt voor de volgende band. Het examen voor de zwarte band ligt echter ingewikkelder: hierbij word je door een vakjury, samengesteld door de Judo Bond, beoordeeld. Verder moet je voor deelname aan een zwarte band examen aan een aantal eisen voldoen. Ten eerste moet je 100 wedstrijdpunten hebben. Als je dat niet hebt moet je een ‘kata’ laten zien op je examen. Dit is een toneelstuk waarin je, naast de technieken uit je examen, nog meer technische vaardigheden moet laten zien. Om een kata te leren moet je intensief gaan trainen, dit is een stuk ingewikkelder dan alle basistechnieken die je moet kennen voor je zwarte band. Dit is echter niet echt een probleem. De meeste leerlingen zijn gewoon gemotiveerd genoeg, dit blijkt uit de enquête. De laatste eisen zijn dat je minstens 16 jaar oud moet zijn en 3 jaar lid moet zijn van de Judo Bond.

Volgens Abba Coly, een nog jonge judotrainer, zit precies daar het probleem. Toen ik hem vroeg waar volgens hem het probleem lag begon hij te schaterlachen. “De Judo Bond is gewoon achterlijk bezig, door al die eisen te stellen maken ze het veel te moeilijk voor de leerlingen.” Hij vertelt dat hij veel leerlingen heeft gekend die al vroeg op wilde voor de zwarte band, maar dit niet konden. Dit had of de reden dat ze te jong waren, of ze waren nog geen 3 jaar lid van de Judo Bond. Om lid te zijn van de Judo Bond moet je, naast je eigen trainingskosten, nog een extra bedrag betalen. Vroeger kreeg je hiervoor ten compensatie het Judo Magazine maar deze is weggehaald wegens bezuiniging, en de prijs van een lidmaatschap is alleen maar gestegen. Coly vertelt: “Voor veel ouders is het gewoon niet waard zoveel geld te betalen.”

                                              De trainers

Cor van der Heijden, een trainer met meer dan 40 jaar ervaring, is het hier mee eens, maar beschrijft een nog veel belangrijkere oorzaak. Volgens hem hebben we het probleem vooral aan de trainers zelf te wijten. “De trainers willen hun leerlingen motiveren. Dit doen ze door de leerlingen snel nieuwe banden te geven. Hierdoor komt zowel de trainer als leerling er bij de bruine band achter dat de basis er nog niet goed in zit.”

Richard de Bijl, voorzitter van de gradencommisie in district Zuid-Holland en trainer met meer dan 50 jaar ervaring, is het hier helemaal mee eens en weet dit verder toe te lichten: “Behaal je als judoka je bevoegdheid diploma judo, dan hoef je nooit meer ergens te laten zien dat je nog bekwaam bent om les te geven. Niemand controleert dit verder. Er zijn in ons district ZH nog steeds leerkrachten, zelfs met een zeer hoge graad, die nog lesgeven volgens oude methodes. Belachelijk natuurlijk, als je naar de huidige examen eisen kijkt. Je moet dus ook niet gek opkijken als je leerlingen uiteindelijk afhaken. Er wordt totaal niet meer volgens de gestelde norm les gegeven. De reden: trainers scholen zich niet bij.”

Dit is een hevige uitspraak, maar hij komt met cijfers uit het district Zuid-Holland om het te bevestigen: “In het district Zuid-Holland zijn er 150 judoverenigingen. Als je nu kijkt welke clubs uiteindelijk kandidaten opgeven om zwarte band te worden, zijn dat er niet meer dan ongeveer 12 van de 150. Die andere 138 brengen dus nooit of nauwelijks kandidaten aan.”

Dat is natuurlijk onvoorstelbaar. Er zijn dus 138 clubs die nauwelijks zwarte banders hebben. Wat opvallend is, is dat in het district Zuid-Holland er ongeveer 130 judo leerkrachten ook niet naar lerarentrainingen komen. Dit is bijna hetzelfde aantal als het aantal clubs dat geen zwarte banders aanmeldt. Volgens De Bijl zijn de trainers die naar lerarentrainingen komen ook vaak de trainers die leerlingen aanmelden voor de zwarte band. De leraren die zich dus niet bijscholen, melden ook amper kandidaten aan. Dit suggereert dat bijscholing een belangrijk aspect is, maar dat het bij veel trainers toch te weinig gebeurd.

Volgens De Bijl moet er gezocht worden naar een oplossing. Hij wil een bijeenkomst organiseren om het probleem aan de kaak te stellen. “Met de daaruit voortkomende oplossingen zullen we een begin gaan maken om de leerkrachten weer actueel te krijgen op hun vak judo. Het zal ook leiden tot meer behoud van leden. Het zal uiteindelijk leiden tot een zeer positief judo klimaat.”

Conclusie

Al met al lijkt het een groot probleem in het judolandschap. Veel leden stoppen na de bruine band of blijven voor een lange tijd op hetzelfde niveau. Dit lijkt dus twee belangrijke oorzaken te hebben: de leraren worden te weinig bijgeschoold en de Judo Bond stelt te zware eisen. Op dit moment wordt er een oplossing gezocht voor het eerste probleem. De districten zijn aan het overleggen hoe ze trainers beter kunnen laten bijscholen.

Hoofdredacteur: Mees van Dijk

Mede-auteur: William Duke