Wat betekent leven onder de lage inkomensgrens?

Een simpel antwoord op deze vraag is niet één, twee, drie te geven. De ene beleving is de ander niet. Dat neemt niet weg dat een laag inkomen, oftewel armoede,  onderbouwd kan worden met feiten en cijfers. Laten we voor het gemak uitgaan van de definitie armoede die het Centraal Bureau voor Statistiek en Sociaal Cultureel Planbureau geven. Wat opvalt is dat beiden instituten een andere invulling geven aan het begrip armoede én dit dus ook anders meten.

Het SCP (Sociaal Cultureel Planbureau) ziet armoede als volgt: “Er is sprake van armoede wanneer iemand gedurende een langere tijd niet de middelen heeft om te kunnen beschikken over de goederen en voorzieningen die in zijn samenleving als minimaal noodzakelijk gelden.”

CBS spreekt niet van armoede, máár van: “Inkomensarmoede als het hebben van onvoldoende geld om een bepaald consumptieniveau te realiseren dat in Nederland als minimaal noodzakelijk wordt geacht.”

Vanwaar de verschillen? Het Centraal Bureau kijkt anders naar de definitie ‘armoede’. Zij stelt dat het begrip armoede een suggestief begrip is wat naar verschillende interpretaties ingevuld kan worden. Er is in Nederland namelijk geen sprake van ‘fysiek overleven’ en in principe heeft iedereen een dak boven zijn hoofd, kan zich degelijk kleden en naar de sportschool. Zij spreken dan ook dat huishoudens in Nederland niet armoedig zijn, maar risico lopen óp armoede.

Het CBS spreekt van 220.000 huishoudens in 2015 die langdurig leven onder de lage inkomensgrens die voor hen geldt. Dat is een stijging van 3% ten opzicht van dat jaar daarvoor. In 2015 waren er 720.000 huishoudens die leven onder de lage inkomensgrens. In 2014 waren er volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 217.000 huishoudens die leefden onder de lage inkomensgrens.

Het Sociaal Cultureel Planbureau spreekt van andere cijfers: namelijk 810.000 huishoudens in 2014. Dan komt weer de vraag: vanwaar zo’n (groot) verschil in statistieken?

Het CBS berekent haar cijfers op basis van gegevens van de Belastingdienst en de lage-inkomensgrens, dat is vastgesteld door de overheid. De grens staat op 1030 euro in 2015 voor alleenstaanden en alleenstaande ouders en 1930 voor twee-oudergezinnen met één of meerdere kinderen. “Dit is een representatieve weergave van de mogelijke armoede in Nederland”, aldus hoofdeconoom Peter Hein Mulligen van het Centraal Bureau voor de Statistiek. “Burgers zonder status en daklozen zijn niet meegenomen in de berekening, maar dit betreft een zeer kleine groep. De norm van onze berekening is dus niet te verwaarlozen.”

Kort samengevat dus berekent het CBS de armoedecijfers:

  • Link met belastingdienst
  • Representatief beeld kun je vraagtekens bij zetten
  • In de bijlage staan de zogenaamde equivalentiefactoren die u kunt gebruiken om de lage-inkomensgrens van een bepaald huishoudenstype uit te rekenen. Dat doet u door de betreffende factor te vermenigvuldigen met 1030, de lage-inkomensgrens van een alleenstaande
  • Voor een alleenstaande met één minderjarig kind is de factor bijvoorbeeld 1,33. De lage-inkomensgrens is dan 1,33 x 1030 = 1370 euro per maand. In onze publicaties ronden we deze bedragen altijd af naar beneden naar het lagere tiental. Voor een paar met twee kinderen is de grens 1,88 x 1030 = 1936 euro, naar beneden afgerond 1930 euro

 

Alle andere huishoudens die niet bekend staan bij de Belastingdienst, neemt CBS dus ook niet mee in haar statistieken. Er valt een bepaalde groep buiten de boot: vluchtelingen zonder status, mensen die een beroep (willen) doen op een uitkering, maar hier uiteindelijk vanaf zien, daklozen die nergens geregistreerd staan. De schatting is dat 31.000 mensen in Nederland in 2015 geen vaste woon-of verblijfplaats hebben.  Dat is een grote groep, en dan hebben we het nog enkel over een schatting.

 

Wie zijn de risicogroepen?

De groei van het aandeel huishoudens met een laag inkomen tussen 2010 en 2014 deed zich voor bij alle huishoudenstypen. Toch zijn er een aantal groepen die kenmerkend zijn voor huishoudens die leven onder de armoedegrens: ZZP’ers, eenoudergezinnen, mensen met een uitkering en niet-westerse allochtonen.

65-plussers is een groep die vaak langdurig onder de lage inkomensgrens leeft. Relatief sterk was de toename onder 65-plussers. Bij de oudere alleenstaanden steeg het aandeel met risico op armoede in de periode 2010–2013 van 3,4 procent naar 6,3 procent, terwijl dit bij de oudere paren toenam van 1,5 procent naar 2,6 procent. Deze stijging hangt samen met 32 Armoede en sociale uitsluiting het teruglopen van de koopkracht van gepensioneerden in deze jaren (Lok en Bos, 2014). Doordat de koopkracht van gepensioneerden in 2014 met 0,4 procent licht verbeterde, daalde het aandeel met een laag inkomen bij zowel de oudere alleenstaanden als de oudere paren tot respectievelijk 5,6 en 2,5 procent.

Er is ook een hoog aandeel met laag inkomen onder niet-westerse allochtonen: Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse Turkse Nederlanders. In 2014 had bijna 32 procent van de huishoudens met een niet-westerse hoofdkostwinner een laag inkomen. Dit is drie keer zo vaak als gemiddeld en vier keer zo vaak als onder autochtonen. Bij niet-westerse huishoudens heeft het lage inkomen bovendien vaker een aanhoudend karakter. Een langdurig laag inkomen komt bij hen bijna zes keer zo veel voor als onder autochtone Nederlanders.

Onder de uitkeringsgerechtigden hebben huishoudens die een bijstandsuitkering ontvangen, het hoogste aandeel met een laag inkomen: Acht op de tien huishoudens die voornamelijk van een bijstandsuitkering moesten rondkomen, hadden in 2014 een laag inkomen. Zij zijn tevens de grootste groep met een langdurig laag inkomen. Zij hebben vaak een lage opleiding genoten (minimaal mbo-2 niveau tot niveau 4) of hebben geen startkwalificatiediploma.

ZZP’ers is een relatief kleine groep die langdurig een laag inkomen heeft. Van de huishoudens die hun inkomen voornamelijk uit werk betrekken, hadden in 2014 alleen zelfstandigen met een aandeel van 12,8 procent bovengemiddeld vaak een laag inkomen Zij komen meestal binnen een jaar boven de lage inkomensgrens uit.

Alleenstaande ouders met minderjarige kinderen is de grootste risicogroep onder huishoudens die behoren tot de lage inkomensgrens: slechts 43% van hen leven onder de lage inkomensgrens die is vastgesteld op 1030 euro per maand.

Waar heb je allemaal recht op met een laag inkomen?

Als we gaan kijken naar de meeste vooroordelen over diegenen die vaak zelf schulden veroorzaken, onverantwoordelijk zijn, hun hand ophouden en profiteren van de sociale voorzieningen vanuit de Nederlandse staat, dan zijn de bijstandsgerechtigden het wel. Zo denken veel mensen dat bijstandsgerechtigden makkelijk uitkering ontvangen, terwijl in de werkelijkheid zij daar vaak een tegenprestatie tegenover moeten zetten. Waar hebben bijstandsgerechtigden en mensen met een laag besteedbaar inkomen nu werkelijk recht op en waar kunnen zij hulp ontvangen?

Sinds de jaren 60 is Nederland een ‘verzorgingsstaat’ geweest, alhoewel onze samenleving de laatste jaren meer de richting op lijkt te gaan van een ‘Participatiesamenleving’, waar iedereen zoveel mogelijk een steentje bijdraagt aan de samenleving. Op basis van groeiende behoeften zijn vanuit de verzorgingsstaat verschillende initiatieven geboren: de wet op bijzondere bijstand, particuliere fondsen zoals Stichting Leergeld, de Voedselbank, Centrum Jeugd en Gezin zijn belangrijke instrumenten in het Nederlandse sociale voorzieningenstelsel.

We nemen ze stap voor stap onder de loep:

Bijzondere bijstand is een vorm van uitkering waarmee onvoorziene extra hoge kosten mee betaald kunnen worden. Je kunt hierbij denken aan bijzondere bijstand voor:

  • Een wasmachine die kapot gaat
  • Kosten voor een bril of laptop
  • Ziektekosten
  • Kinderopvangkosten
  • Inrichtingskosten
  • Verhuiskosten
  • Andere onvoorziene kosten

De bijstand wordt om niet verstrekt (hoef je niet terug te betalen), in de vorm van een geldlening met meestal een looptijd van 36 maanden of bijstand in natura. Een aanvraag duurt acht weken en je dient vooraf geen kosten te hebben gemaakt voor de bijstand die je aanvraagt.  Inrichtingskosten wordt vaak in de vorm van een lening verstrekt. Ook kun je als uitkeringsgerechtigde een ooievaarspas aanvragen. Je kan dan (of met je gezin) gratis of tegen een laag tarief sporten bij een sportschool, lid worden van de bibliotheek of deelnemen aan andere recreatieve activiteiten.

De voedselbank is er voor mensen die minder te besteden hebben dan 280 euro per maand. Zij komen dan in aanmerking voor een voedselpakket. Dit bestaat uit basale producten zoals rijst, pasta, groente en fruit, broodbeleg en drinken.

Indien de bijzondere bijstand wordt afgewezen door de gemeente of de bijzondere bijstand vanuit de gemeente niet toereikend is voor het gewenste doeleind, dan kun je aanspraak maken op Stichting Leergeld. Een stichting die zich met vrijwilligers inzet voor een participerende samenleving, waaronder bijvoorbeeld arme gezinnen ook de mogelijkheid krijgen noodzakelijke spullen voor een schoolgaand kind aan te schaffen zoals een laptop, rugzak of gymspullen.

Het centrum Jeugd en Gezin maakt onderdeel uit van de gemeente en kun je terecht voor vragen over opvoeding en gezondheid. Een maatschappelijk werker gaat dan met jou aan de slag aan je hulpvraag, bijvoorbeeld: “hoe kom ik weer bovenop mijn schulden?”

Opgroeien in bijstand

Uitkeringsgerechtigden die zelf zijn opgegroeid in een bijstandsgezin hebben een grotere kans om zelf in de bijstand terecht te komen. Laagopgeleiden vinden niet snel een baan als er krapte is op de markt waar zij zich aanbieden als werkzoekende. Heb je gestudeerd voor elektra-monteur, dan is de kans groot dat je anno 2017 met dit niveau-2 diploma niet aan de bak komt. Uitzonderingen daargelaten natuurlijk. Maar ook mensen zonder een startkwalificatiediploma (een havo/vwo of mbo-niveau 2 diploma) geraken moeilijk aan het werk. Ook zij zullen sneller een beroep doen op de bijstandsuitkering. Verder zijn eenoudergezinnen een zeer kwetsbare groep die voor een groot deel in de bijstand belandt. Bij eenoudergezinnen (het woord zegt het al) valt vaak het inkomen weg van de andere ouder door relatiebreuk, echtscheiding of overlijden van de partner. Alimentatie is dan ook vaak niet aan de orde. De alleenstaande ouder werkt parttime, studeert, is zelfstandig ondernemer óf werkt fulltime. of De realiteit wijst uit dat één inkomen  (1430 euro bruto) gemiddeld vooralsnog niet voldoende is om het gezin te onderhouden. De alleenstaande ouder krijgt moeite met het betalen van de vaste lasten zoals huur, water en licht, schoolkosten of kinderopvangkosten en andere noodzakelijke posten met grote gevolgen van dien. Om niet dieper weg te zakken in de schulden voelen deze eenoudergezinnen op een gegeven moment de noodzaak om een bijstandsuitkering aan te vragen.

Een aanvraag indienen voor een bijstandsuitkering is ingewikkelder dan je denkt. Als allereerst kun je op geen enkele wijze aanspraak maken op een andere uitkering. Heb je dus een handicap en is dit vastgesteld door een bevoegde arts? Dan kun je geen aanspraak maken op een bijstandsuitkering, omdat je namelijk ook recht hebt op een WAJONG-uitkering (uitkering voor jonggehandicapten). Een bijstandsuitkering is bedoeld als laatste redmiddel en tijdelijke uitkering. Verder mag je niet teveel eigen vermogen hebben en is je gezinssamenstelling van belang voor de hoogte van je uitkering. Ook kan de hoogte van je uitkering per gemeente verschillen. Een auto valt ook onder het (vrij te laten) vermogen.

 

Vermogen dat is toegestaan bij een bijstandsuitkering 2016

Maximaal eigen vermogen om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering Bedrag in Euro
Alleenstaand zonder inwonende kinderen 5.940 euro
Alleenstaande ouder met inwonende kinderen 11.880 euro
Gehuwd of samenwonen zonder kinderen 11.880 euro (samen)
Gehuwd of samenwonen met kinderen 11.880 euro (samen, inclusief het spaargeld van de kinderen)

 

Verder kom je niet zomaar in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Je moet aan een aantal voorwaarden voldoen. De voorwaarden op een rij:

  • Je woont in de gemeente van de aanvraag
  • Je bent 18 jaar of ouder (in sommige gevallen kun je vooralsnog in aanmerking komen voor bijstand, bijvoorbeeld minderjarige moeders)
  • Je ontvangt geen studiefinanciëring
  • Je zit niet in een gevangenis, huis van bewaring, elektronische detentie
  • Je volgt geen afkickprogramma

Waarom een lange aanvraagtijd niet werkt

Als je aan één of meer van deze voorwaarden niet voldoet, is de kans groot dat de bijstandsaanvraag wordt afgewezen. Verder is ook belangrijk om te weten hoeveel papierwerk en geduld zo’n aanvraag met zich meebrengt. Op de site van de meeste gemeentes wordt gebruikgemaakt van duidelijke informatievoorziening. Op de site kun je terugvinden wat er van je wordt verwacht, welke criteriums er in je situatie gelden en kun je zelfs je aanvraag digitaal doen. Een aanvraag neemt maximaal 8 weken in beslag, maar kan worden opgerekt tot 12 weken. Dit is het geval als de gemeente meer informatie nodig heeft om het recht tot uitkering te bepalen. Indien het je te lang duurt, kan na vier weken een voorschot worden gevraagd, waardoor je 90% van je uitkering ontvangt. Toch kan een lange verwerkingstijd van 8 weken niet altijd handig uitpakken. Laten we voor de verheldering een voorbeeld opnoemen:

 

Hans heeft een sociale huurwoning van 640 euro per maand. Hij is zelfstandig ondernemer. Zijn bedrijf gaat in september failliet en hij kan al twee maanden zijn vaste lasten niet betalen. Per 1 oktober vraagt hij een bijstandsuitkering aan. Uiterlijk 1 december ontvangt hij een besluit op zijn aanvraag. Omdat Hans zelfstandig ondernemer is, heeft hij een wisselend inkomen. De sociale dienst van de gemeente heeft meer tijd nodig om zijn recht vast te stellen op de bijstandsuitkering. Zijn aanvraag wordt opgerekt tot 1 januari. Hans had al twee maanden huurachterstand toen hij de uitkering aanvraag. Omdat hij zelfstandig ondernemer is, heeft hij eerst geprobeerd zelf het gat te vullen, wat niet is gelukt, met huurachterstand als gevolg. Omdat Hans geeft vermogen heeft kunnen opbouwen, kan hij niet terugvallen op eigen geld tijdens afwachting van zijn aanvraag. Als Hans 1 januari een positief besluit krijgt op zijn aanvraag voor de bijstandsuitkering, is de huurachterstand inmiddels opgelopen tot vijf maanden. De woningbouw heeft inmiddels de vordering afgedragen aan een incassobureau met extra kosten van 0.15% van de vordering= 0.15 x 3200 (5 x 640) = 480 euro aan kosten.

Hans krijgt na toekenning van de uitkering daadwerkelijk wel zijn uitkering per 1 oktober met terugwerkende kracht, maar dit gaat niet op tegen de 480 euro aan incassokosten. Dit is maar één voorbeeld om een inbeelding te maken hoe het in de praktijk kan uitwerken. Een lange behandeltermijn is niet voordelig en kan de (kans op) schulden vergroten. Uit de cijfers van het CBS blijkt dat het  hebben van schulden al een hardnekkig probleem is om te sparen of vermogen op te bouwen tijdens een langdurig laag inkomen. Ruim 41.6 % van de uitkeringsgerechtigden heeft schulden en kan geen vermogen opbouwen.

Tegenprestatie voor behoud uitkering en afwijzend karakter van gemeenten een taboe?

Om de doorstroom naar de arbeidsmarkt de bevorderen, willen veel gemeenten een tegenprestatie vragen voor behoud van de uitkering. Niet alle gemeenten doen hieraan mee. Meestal zijn het gemeenten in grote steden die de tegenprestatie als onderdeel hebben van de uitkering. DE (verplichte) tegenprestatie houdt in dat bijstandsgerechtigden in ruil voor de bijstandsuitkering een maatschappelijk nuttige activiteit moeten verrichten.

De invulling van deze activiteit wordt bepaalt door de gemeente. vele gemeenten maar al te graag de doorstroom naar de arbeidsmarkt willen bevorderen, klinkt Piet van der Lende, voorzitter van de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam, een vereniging die de belangen behartigd van mensen met een uitkering en werkenden met een minimaal inkomen, bekend in de oren. Volgens Piet van der Lende voert de gemeente een beleid uit dat is gericht op het afwijzen van mensen en zijn bepaalde regels in strijd met elkaar. “Zo wordt er om overhandiging van een loonstrookje gevraagd per 1 maart om het recht van de uitkering te beoordelen, terwijl de uitkeringsgerechtigde het loonstrookje per elke 15e van de maand binnenkrijgt. Een periodieke fout die wij vaak terugzien. Vervolgens wordt wel de uitkering opgeschort omdat niet alle informatie op tijd binnen was. Dat is een groot probleem. Daarnaast zien wij ook dat gemeente de vrijheid om zelf invulling te geven aan de tegenprestaties teveel gebruiken. Zo is het voorgekomen dat de gemeenten bijstandsgerechtigden gebruikten om langs het huis van uitkeringsontvangers te gaan om te controleren of zij bezoek ontvangen (zodat zij eventueel samenwonend zijn terwijl zij een alleenstaande uitkering ontvangen, dus frauderend) of wel thuis zijn als zij zich hebben ziekgemeld. Deze mensen zijn onbevoegd om werk van ambtenaren over te nemen en bovendien gaat het hier niet om een maatschappelijk nuttige activiteit. Weiger je de tegenprestatie, dan wordt je uitkering opgeschort.”

In 2013 zijn de gemeente Middelburg, Vlissingen en Veere al eerder op de vingers getikt door de rechter: zij gingen te ver met de invulling van de tegenprestatie: een werkweek van 32 uur lang. Ook de Rechten van de Mens zet vraagtekens bij het beleid van gemeentes met betrekking tot de  verplichte tegenprestatie als onderdeel van de Participatiewet die is ingegaan per 1 januari 2015, die de Wet op Werk en Bijstand vervangt en nadruk legt op participeren in de samenleving: dat betekent zo snel mogelijk uit de uitkering en zo snel mogelijk weer aan het werk. Volgens het EVRM (Europees Verdrag Rechten van de Mens) moet de tegenprestatie proportioneel zijn.

Niet iedereen hoeft de tegenprestatie uit te voeren. Alleenstaande ouders met de volledige zorg voor kinderen jonger dan vijf jaar zijn vrijgesteld van de tegenprestatie, maar het kan voorkomen dat gemeenten vooralsnog de tegenprestatie proberen af te dwingen. Dit is het geval als er bijvoorbeeld van tevoren geen ontheffing van de tegenprestatie is gevraagd. De vrijstelling krijg je namelijk niet automatisch als je alleenstaande ouder bent.

 

Wantrouwen, fraude en vooroordelen

Fraude onder bijstandsgerechtigden is nog steeds aan de orde in verschillende gemeentes in Nederland. Zij hebben meestal ook een meldpunt waar je (vermoedelijke) fraude kan melden. Dit kan zowel anoniem als bekend. Is er wel een verschil tussen ‘opzettelijk’ frauderen en bewust een foutje maken en tot fraudeur worden bestempeld? Volgens hoogleraar sociale zekerheid Gijsberth Vonk heerst er een groot wantrouwen onder de sociale dienst tegenover bijstandsgerechtigden en heeft dit invloed op de bejegening van deze groep. “Ook zijn bijstandsgerechtigden niet altijd goed geïnformeerd en weten zij niet welke inkomen zij nu wel of niet moeten doorgeven: is een verjaardagscadeautje van oma nu een gift of moet ik het toch doorgeven aan de gemeente? Veel mensen weten het niet en lopen door hun onwetendheid het risico om een sanctie te krijgen opgelegd door de gemeente.” Wat je krijgt is dat bijstandsontvanger zich gaan afsluiten en dan kom je in een sociaal isolement terecht. Mensen gaan elkaar wantrouwen en krijgen minder de neiging om in elkaar in te leven. Leven onder de lage-inkomensgrens is niet zo rooskleurig als het eruit ziet.

Armoede in Nederland, een fabeltje der lage landen?

Volgens Gijsberth Vonk zat er voorheen een taboe op het leven in armoede in Nederland, maar begint die “langzamerhand te doorbreken”. Toch zijn velen stellig over het onderwerp: “Armoede zou niet bestaan en met 220.000 huishoudens die langdurig leven onder de lage inkomensgrens valt dat in een rijk en welvarend land als Nederland wel mee.” Volgens de hoogleraar denken mensen te makkelijk over mensen die leven onder de lage inkomensgrens of die in de bijstand zitten. Volgens deze mensen zijn uitkeringsgerechtigden vaak ‘fraudeurs die te vaak hun hand ophouden” en zorgen mensen er voornamelijk zelf voor als zij in de schulden terechtkomen en uiteindelijk in de uitkering zitten. De politieke sfeer daarentegen versterkt deze ‘gedachtegoed’ eveneens. “We hebben verschillende Tweedekamerdebatten gehad in 2016 en het meest belangrijkste thema waarover werd gedebatteerd was onze ‘identiteit’.” Volgens de hoogleraar houdt de politiek zich te afwezig: “De politiek kijkt te weinig naar de echte problemen, zoals daklozen in ons land, mensen die niet rondkomen van een uitkering. Er wordt alleen gesproken over ‘de hardwerkende Nederlander met een modaal inkomen’. Dat is dus Ingrid of Harrie, en die vertegenwoordigd niet heel de samenleving.”

Al met al kan ik niet anders dan tot de conclusie komen dat leven onder de lage-inkomensgrens geen pretje is. In de uitkering wordt je regelmatig opgeroepen om te beoordelen of je wel recht hebt op de uitkering. Ook voelen veel uitkeringsgerechtigden de druk dat ze zo snel mogelijk weer aan de slag moeten op de arbeidsmarkt en niet goed worden begeleid en dit werkt demotiverend. Uitkeringsgerechtigden verliezen het vertrouwen in het stimulerende beleid van de Participatiewet en de werkgever, in dit geval de gemeente, terwijl de gemeente op zijn beurt meer wantrouwen krijgt in burgers. Dit met als gevolg dat zij mogelijk strenger op gaan treden tegenover uitkeringsgerechtigden. “Dit kan alleen doorbroken worden door het verbeteren van het bestuurlijk apparaat door meer in te gaan leven in de medemens”, aldus hoogleraar Gijsberth Vonk. “Een ‘leefbaar inkomen’, waarbij de staat iedereen van een basisinkomen voorziet, zodat niemand meer buiten de boot valt, dat zou ideaal zijn.”