Door: Linda Bak en Inge de Bruijn

Overvallen, vechtpartijen en verkeersruzies. Wanneer de gewone burger een stap achteruit zet omdat een situatie te gevaarlijk wordt, moet de politie naar voor treden. Dit zorgt soms voor stress, dilemma’s en in het uiterste geval zelfs tot mentale of fysieke pijn bij agent of verdachte. De politie is bevoegd geweld te gebruiken als de situatie daarom vraagt. Daar komen ook regels bij kijken. Maar zijn deze regels wel duidelijk bij de agenten op straat en wordt er wel genoeg gedaan om deze regels onder de aandacht te brengen?

”Natuurlijk gebeurt het wel dat agenten een verkeerde beslissing nemen, maar dat heeft dan meer met emotie en onmacht te maken. Het zijn ook maar mensen.’’ – Jaap Timmer, docent politiegeweld

Volgens de politiewet uit 2015 mag de politie in een aantal gevallen geweld gebruiken. Dat geweld moet redelijk, gematigd, juridisch proportioneel (het geweld moet in verhouding staan moet het delict) en subsidiair (het probleem had niet op een andere manier verholpen kunnen worden) zijn. Uit cijfers blijkt dat agenten zo’n 14.000 keer per jaar geweld gebruiken. Vaak gaat het dan om fysiek geweld. Ongeveer twintig keer per jaar wordt er iemand geraakt door een kogel afkomstig van de politie. Hulpofficier Martin van Gestel vertelt uit eigen ervaring dat hij op een gemiddelde zaterdagavond ongeveer vijftien meldingen van geweld krijgt in de regio Eindhoven. Agenten moeten het gebruik van geweld altijd melden bij een leidinggevende. “Wij maken een splitsing in dat geweld. Aan de ene kant het geweld conform de Integrale Beroepsvaardigheden Training (IBT) en aan de andere kant het geweld dat daarbuiten wordt toegepast.” ‘Geweld buiten het boekje’, zoals Van Gestel het noemt, kan volgens hem ook gebeuren.  “Af en toe zegt een collega bijvoorbeeld: ‘Iemand heeft mij een klap gegeven en ik heb hem teruggeslagen’. Dat kan gebeuren in emotie. Het belangrijkste is dat ze het melden.” Na de melding van geweld gaat de leidinggevende in gesprek met de agent die het geweld heeft toegepast om na te gaan of het allemaal volgens de regels is gegaan. Jaap Timmer, docent politiegeweld aan de Vrije Universiteit van Amsterdam: ‘’Een agent gaat ’s ochtends naar zijn werk en weet dat hij dan in dienst is en hij die dag misschien geweld moet gebruiken. Veel media zeggen dat agenten snel moeten handelen en in een split second moeten beslissen wat ze moeten doen, maar dat is helemaal niet waar. Vaak bedenken agenten op de weg daarnaartoe al hoe ze moeten handelen. Natuurlijk gebeurt het wel dat agenten een verkeerde beslissing nemen, maar dat heeft dan meer met emotie en onmacht te maken. Het zijn ook maar mensen.’’

Van Gestel: “Over het algemeen handelt iedereen netjes zoals het hoort. Als er toch iemand is die bijna ieder weekend met een geweldsmelding bij mij op het bureau ligt, ga ik een stevig gesprek met die persoon aan om te kijken of dat inderdaad nodig was of dat diegene buiten het boekje is gegaan.”

Training 

Op de vraag of politiemedewerkers wel voldoende weten over hoe ver ze mogen gaan met geweld, wordt ongeveer hetzelfde gereageerd. Advocaat Margrete van der Steeg: “Ik denk dat ze de regels wel goed weten. Maar op zo’n moment moet je helder kunnen nadenken en dat is heel moeilijk vanwege de spanning die erbij komt kijken.’’ Jaarlijks krijgen agenten trainingen in het omgaan met fysiek geweld en twee keer per jaar moeten ze een toets afleggen. Timmer: ‘’Het kan altijd beter maar het kennisniveau en het niveau van de vaardigheden ligt nu vele malen hoger dan zo’n twintig jaar geleden. Dit komt vanwege de investering in de opleidingen maar ook in de trainingscentra. Agenten moeten vier dagen per jaar een cursus volgen en ook twee toetsen maken om hun wapen te mogen houden. Na die cursus wordt er een situatie getoetst doormiddel van een acteur die verdachte speelt. Agenten moeten die acteur dan volgens de regels aanhouden. Dit soort oefeningen waren er vroeger nog niet en verbeteren wel het niveau.’’

Ronald Pronk, communicatiemedewerker bij politievakbond ANVP en wijkagent, vindt de training zelf heel belangrijk maar denkt dat de organisatie van de politie daar anders over denkt “Het liefst hebben de leiding en de politiek gewoon mensen op straat. De opleiding kost alleen maar capaciteit natuurlijk. Het is dat wij nog niet in onze eigen tijd kunnen schieten, maar anders zouden ze dat ook nog doen. Maar ik vind de training altijd belangrijk.” Ook Van Gestel vond de trainingen als politieman belangrijk, maar was niet lovend over de toetsen. “Wij werden vaak voor toetsen getraind waardoor de praktijk uit het oog verloren werd.” De afgelopen jaren is er veel veranderd aan de hoeveelheid en de manier van trainen “Voorheen hadden wij vier trainingsmomenten. Van die vier viel er al een af waarin je alle toetsen moest afleggen. Tijdens de andere trainingsmomenten was je altijd met vreemde collega’s aan het trainen. Dus vanaf dit jaar bestaat de Integrale Beroepsvaardigheden Training (IBT) bij ons uit zes trainingen van twee dagen per jaar, waarbij je met je eigen team komt. Bij dat team hoort altijd een leidinggevende en de doorsnee van de mensen die op straat werken. Dan leer je dus welke collega goed is in wat. Dan heb je een completer beeld en leer je elkaar wat beter kennen. Dit heeft een goede uitwerking want mijn collega’s en ik vinden het minder erg om naar de nieuwe trainingen te gaan. Aan de oude trainingen had iedereen een hekel.”

 “Hoe jonger je bent hoe eerder je geneigd bent naar wapens te grijpen.” – Martin van Gestel, hulpofficier

Dat de training de afgelopen jaren veel veranderd is, is volgens de politiemedewerkers vooral positief. Toch valt er iets op aan het gedrag van agenten na de veranderende trainingen. Wijkagent Ronald Pronk: “In principe mag je geweld gebruiken tegen iemand die zich aan een aanhouding onttrekt of dreigt te onttrekken. Of als iemand in het bezit is van een vuurwapen. Het valt op dat oudere collega’s bijvoorbeeld nog nooit peperspray hebben gebruikt maar wel ooit hun handen blauw hebben gehad door het fysieke gevecht met iemand. Dat heeft met de training te maken denk ik.’’ Hulpofficier Van Gestel sluit zich hierbij aan. “Hoe jonger je bent hoe eerder je geneigd bent naar wapens te grijpen, terwijl dat niet altijd de oplossing is. Maar door je levenservaring krijg je steeds beter in de gaten hoe je iemand kunt benaderen. Je hebt dan ervaring in allerlei situaties. Dus je weet wat wel en wat niet werkt.”

”Natuurlijk moet je verantwoording voor je werkwijze afleggen, dat vind ik geen probleem. Maar wel op een redelijke manier.’’ – Ronald Pronk, wijkagent

Zaak Henriquez

De zaak Mitch Henriquez is een incident waarbij politiegeweld duidelijk naar voren kwam en wat zorgde voor veel maatschappelijke onrust. De 42-jarige Arubaan was voor familiebezoek in Nederland. Hij bezocht een muziekfestival in Den Haag en werd daar ’s avonds aangehouden. Hij zou hebben geroepen dat hij een wapen bij zich had en zou zich hevig verzet hebben tegen de arrestatie waarbij meerdere agenten hem in bedwang moesten houden. Henriquez kwam om het leven. In eerste instantie meldde het OM dat hij onderweg naar het politiebureau onwel was geworden. Dit werd later teruggenomen omdat er video’s waren gemaakt. Op die video’s was te zien hoe agenten een nekklem bij Henriquez gebruikten. Hierdoor werd er gedacht dat hij is overleden als gevolg van politiegeweld. Martin van Gestel zegt hierover: “Ik weet dat collega’s in situaties zoals met Mitch Hendriquez altijd proberen naar de grond toe te werken, dat is ze ook geleerd. Maar ze gaan dan vaak ook bovenop zo’n verdachte liggen om hem te kunnen boeien of onder controle te kunnen krijgen. Daar zit een enorm risico in. Want op het moment dat iemand 100 kilo op zijn rug krijgt, of misschien wel twee of drie collega’s, dus 150 tot 200 kilo, dan kan diegene geen adem meer halen. Daar wordt op dit moment ook heel veel op getraind bij de IBT. Want iemand die met het geweld en het breken van het geweld bezig is, zit in de emotie van het geweld en ziet niet wanneer het te veel wordt voor een verdachte. Daar moet iemand naar kijken die er verder vanaf staat.”

Nazorg agenten 

Een situatie zoals in het voorbeeld hierboven zorgt ook bij agenten voor de nodige spanning en emotionele gedragingen. Van Gestel: “De cultuur binnen die politie is, vooral de laatste 2 à 3 jaar, dat er heel open wordt gesproken onder elkaar over incidenten. Dat is ook iets dat in de IBT al enkele jaren is ingebakken. Je bespreekt gewoon met elkaar wat er wel goed gaat en wat er niet goed gaat. Je kunt collega’s er gewoon op aanspreken als je iets niet zo handig vond gaan.” Mocht een gesprek met een collega of leidinggevende bij de politie niet voldoende zijn, is er het Team Collegiale Ondersteuning (TCO). Daar zitten politiemedewerkers in die veel ervaring met geweld hebben en die weten hoe je dat het beste op kunt vangen. De ervaring van de hulpofficier is dat hij dit team maar weinig hoeft in te schakelen voor agenten. Wanneer praten niet genoeg is kunnen mensen last krijgen van stressstoornis PTSS. Van Gestel: “Als dat pas heel laat ontdekt wordt, is er bijna geen redden meer aan. Dan zie je een collega gewoon veranderen in gedrag en uiteindelijk in andere functies terechtkomen. Collega’s die dit meemaken, krijgen altijd standaard begeleiding, of ze dat nou willen of niet. Daarnaast moet goed gekeken worden hoe iemand terugkomt in de praktijk. Zij krijgen vaak nog aparte trainingen om te kijken of ze geen angst hebben gekregen voor het vuurwapen en niet bang zijn voor de knal, bijvoorbeeld.”

Agent als verdachte

Zowel in de politiewet als in het strafrecht zijn er veel zaken geregeld omtrent het politiegeweld. Zo staat in de ‘Aanwijzing handelwijze geweldsaanwending politieambtenaar’ het volgende: ‘’ Bij onderzoeken naar geweldsincidenten wordt de politiefunctionaris die het geweld heeft toegepast in beginsel niet aangemerkt als verdachte. Indien echter gerede twijfel bestaat over de vraag of de geweldsaanwending rechtmatig was, wordt de politiefunctionaris aangemerkt als verdachte.’’ Margrete van der Steeg is advocaat in politiezaken en heeft regelmatig te maken met het gebruik van politiegeweld. ‘’Ik heb meerdere politiemedewerkers bijgestaan. Vaak gaat het dan om zaken over vuurwapengebruik of fysiek geweld. Meestal komt zo’n voorval niet tot een rechtszaak omdat het OM de zaak dan seponeert.’’ Jaap Timmer, docent politiegeweld zegt er het volgende over: ‘’Een agent werkt vanuit een bevoegdheid. Als er geweld wordt gebruikt, moet die agent dat altijd melden en wordt er een proces verbaal opgemaakt. Als bij dat geweldincident een burger gewond is geraakt, gaat dat proces verbaal altijd naar het Openbaar Ministerie. Die gaat dan bekijken of alles volgens de regels is verlopen en komt dan vaak tot de conclusie om te seponeren en dus niet te vervolgen. Mocht het OM toch willen vervolgen dan is er nog de rechter die in tweederde van de gevallen geen straf oplegt.’’

Tuchtrechter 

”Ik vind dat er een tuchtrechter moet komen voor deze agenten in plaats van dat zij gelijk voor de strafrechter verschijnen.’’ – Jaap Timmer, docent politiegeweld

Timmer vindt niet dat er te weinig regels zijn omtrent politiegeweld. Er is veel vastgelegd in de wet en er zijn genoeg protocollen. Toch heeft hij wel een ander verbeterpunt: ‘’Een verbetering is nodig op het gebied van rechtszaken. Steeds meer agenten komen voor de rechter vanwege een inschattingsfout. Maar een agent staat niet ’s ochtends op met de gedachte iemand neer te gaan schieten. Vervolgens worden ze wel beschuldigd van poging tot doodslag. Een arts die een medische fout maakt met dood tot gevolg komt voor een tuchtrechter. De politie heeft ook een tuchtrechter maar die gaat alleen over zaken als het achterhouden van goederen van arrestanten. Ik vind dat er een tuchtrechter moet komen voor deze agenten in plaats van dat zij gelijk voor de strafrechter verschijnen.’’ Ook wijkagent Pronk is het hiermee eens: “Ik weet vanuit de leiding en de tendens nu dat mensen liever een eigen soort rechtbank hebben waar alleen maar politiezaken worden behandeld. Daar ben ik het mee eens, omdat die dan een eenduidig beeld geven en de zaken door ervaring op orde hebben. Natuurlijk moet je verantwoording voor je werkwijze afleggen, dat vind ik geen probleem. Maar wel op een redelijke manier.’’