Leren lezen is belangrijk voor kinderen, omdat het de woordenschat en het wereldbeeld van het kind verbreedt. Toch verlaat nog steeds vijftien procent van de kinderen het basisonderwijs met een taalachterstand. Volgens verschillende deskundigen hebben omgevingen als thuis, op school en buiten met vrienden grote invloed op het leesgedrag. Als er leesprikkelingen worden aangeboden is de kleine lezer ook eerder geneigd om een boek op te pakken. Zo is te denken aan simpele dingen als een boekenkast, een krant die op tafel ligt of een ouder die een kruiswoordpuzzel doet. Als een kind elke dag leest of wordt voorgelezen, leert het zo’n duizend nieuwe woorden per jaar. Een kind dat vijftien minuten per dag leest leert ook 55 keer meer zoveel woorden per jaar als een kind dat vijf minuten per dag leest.  Verder worden kinderen nieuwsgieriger en sociaal actiever.

Hoe komt het nou dat sommige kinderen toch een onvoldoende leesniveau hebben en later misschien wel onder de noemer laaggeletterd kunnen vallen? En welke oplossingen worden geboden voor deze kinderen en hun ouders? In dit onderzoek worden verschillende methodes genoemd en komen deskundigen aan het woord, die antwoord geven op deze vragen.

Leesomgeving thuis

Natuurlijk heeft de thuissituatie van een kind een grote invloed op het leesniveau. Zoals eerder aangegeven moet een kind geprikkeld worden; er moet een ‘talige omgeving’ worden gecreëerd, zoals het door verschillende deskundigen wordt genoemd. Zo kan het leesniveau enorm beïnvloeden als één van de ouders laaggeletterd is, dit kan ervoor zorgen dat het kind later in dezelfde situatie terecht komt. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel, omdat dat weer invloed heeft op de volgende nakomelingen. Ouders die functioneel analfabeet, ofwel laaggeletterd, zijn kunnen onvoldoende lezen en schrijven om in situaties waar dit nodig is te kunnen handelen. 1,3 miljoen Nederlanders tussen de 16 en 65 jaar hebben hier last van. Bijna dertien procent van alle kinderen loopt het risico om later laaggeletterd genoemd te worden, wat terug te leiden is naar problemen met taal in de opvoeding. Een kind wordt geboren in een taalarm gezin. Dat houdt in dat de ouders weinig praten met het kind en zelf geen boeken of kranten lezen. Als het kind eenmaal naar school gaat krijgt hij of zij vaak wel een leesprogramma voorgeschreven, maar daar is dan vaak weinig tijd voor. In de thuissituatie kan het kind hier ook niet mee geholpen worden, omdat de ouders ook slecht of niet kunnen lezen. Na groep vijf wordt er klassikaal geen aandacht meer geschonken aan technisch lezen, waardoor het kind achterblijft bij verschillende vakken. Uiteindelijk krijgt het kind een advies dat (waarschijnlijk) onder het niveau ligt, gaat een korte opleiding doen en slaagt met een onvoldoende voor Nederlands. Vanaf dan rollen ze in het werkveld en behoren tot de groep laaggeletterde volwassenen.

Video: Stichting Lezen&Schrijven

Autochtone en allochtone laaggeletterden en analfabeten

Volgens volwassenenonderwijsdocente en onderzoekster op onder andere het gebied van laaggeletterdheid Ella Bohnenn wordt er vrijwel niet meer gesproken van mensen die volledig analfabetisch zijn. Dit zijn mensen die helemaal niet kunnen lezen. Al is dit wel het meest bekende begrip om deze problemen te omschrijven. “Als je in Nederland woont ga je allemaal op jonge leeftijd naar school. Je hebt dus allemaal les gehad in schriftelijke taal. Als het gaat om anderstalige volwassenen ligt het wat anders. Er zijn volwassenen die in Nederland wonen maar in het land van herkomst of hier in Nederland nooit of haast nooit naar school zijn geweest en niet kunnen lezen en schrijven. Zij zijn dus wel analfabeet.” Toch is maar een deel van de laaggeletterden in Nederlands van buitenlandse afkomst. Twee derde is namelijk autochtoon, tegenover een derde allochtonen. Wel schamen autochtonen zich vaak voor het feit dat ze laaggeletterd zijn, omdat ze denken dat dat niet normaal is. Zo hebben zij vaak excuses als ‘ik heb mijn bril niet bij me’ of ‘ik lees het thuis wel’, zoals in de video van Stichting Lezen&Schrijven hieronder. Dit heeft ook grote invloed op het kind, omdat het in de omgeving niet normaal is dat er wordt gelezen of geschreven.

 

Kosten laaggeletterden

Laaggeletterdheid neemt ook de nodige kosten met zich mee. Hierbij kan gedacht worden aan werkloze laaggeletterden die in de bijstand zitten of criminaliteit. Hieronder een grafiek waar deze kosten worden uitgelegd. Klik op ‘Jaarlijkse kosten laaggeletterdheid’ om de interactieve grafiek te bekijken.

Leesprestaties Nederland en buitenland

Uit onderzoek van Leesmonitor is gebleken dat Nederlandse kinderen bovengemiddeld presteren, in vergelijking tot kinderen uit andere landen. Wel begint de laatste tijd op te vallen dat de prestaties steeds meer gemiddeld worden. Er zijn minder uitstekende lezers en meer gemiddelde en slechte. Dit kan weer aan meerdere factoren liggen, zoals computers en televisie. De tv-programma’s en computerspellen kunnen een grote afleiding zijn van het lezen als de kinderen thuis zijn, waar vroeger geen of minder sprake van was.

Talige omgeving creëren

Ella Bohnenn vertelt dat er meerdere factoren zijn waardoor een volwassene laaggeletterd kan zijn. “Veel laaggeletterde volwassenen hebben al als kind zijnde niet goed geleerd hoe zij moeten lezen en schrijven. Er kan op verschillende manieren een achterstand zijn ontstaan. Zo noemen veel mensen zichzelf ‘woordblind’, ook wel dyslectisch. Vroeger was weinig tot geen aandacht voor deze leerlingen. Bij meisjes werd er vaak gedacht dat het niet nodig was om veel scholing te krijgen, omdat ze later toch zouden trouwen en voor de kinderen moesten zorgen, terwijl de man dan de kostwinner zou zijn.”

Naast de woordblindheid noemt Bohnenn nog andere mogelijke redenen. “Het sociaal economisch milieu speelt ook een grote rol. Als er al problemen zijn in de gezinssituatie of beide of één van de ouders laaggeletterd is, kan dit grote invloed hebben op het kind. Dit zien we bij de kinderen van nu ook terugkomen. De rol van de ouders in de taalontwikkeling van het kind is erg groot. Laaggeletterde volwassenen, en dus ook ouders, zoeken de situaties waarin zij moeten lezen en schrijven niet op. Zo zijn er de bekende excuses als ‘ik heb mijn bril niet bij me’ of ‘mijn hand doet pijn, dus ik kan niet schrijven’. Op deze manier krijgen de kinderen ook niet te maken met deze situaties. In dit soort gezinnen is het namelijk normaal dat er geen krant of boek te vinden is in huis en dat er niet wordt voorgelezen. Een taalrijke omgeving zorgt namelijk voor prikkels bij het kind en deze prikkels zorgen ervoor dat het kind geïnteresseerd raakt in zelf de taal ontdekken en leren.”

Er zijn verschillende omgevingen waarin het kind de taal ontdekt, dit is op school, buiten en in de thuissituatie. “Vaak denken mensen dat een kind door op internet te zitten ook de taal ontwikkelt. Dit kan wel zo zijn, maar spelletjes bestaan ook regelmatig alleen uit plaatjes”, zegt de docente en onderzoekster. “Als ouders het leesgedrag ook niet simuleren, komt vaak de potentie van het kind er niet helemaal uit. Dit kan invloed hebben op de studieloopbaan en de toekomstige carrière van het kind. Vandaar dat een talige omgeving erg belangrijk is binnen de opvoeding.”

Klik op ‘Niveau laaggeletterden’ om de interactieve grafiek te bekijken.

 

Lezertjes motiveren met de VoorleesExpress

Die talige omgeving creëren is bij meerde projecten een issue waar aan gewerkt wordt, ook bij de VoorleesExpress. Dit is een landelijk project waarbij vrijwilligers twintig weken lang eens per week langsgaan bij gezinnen waar gebrek is aan deze taligheid. De groep waar ze zich op richten bestaat uit gezinnen met kinderen tussen de twee en acht jaar oud, waar problemen met taal worden ondervonden.

Lonneke Bisschop is van VoorleesExpress Gelderland Zuid en vertelt hoe zij er te werk gaan. “Het gaat ons er niet om dat een kind in die twintig weken ineens super goed wordt in lezen, maar dat zij en de ouders het plezier van lezen ontdekken. Het is dan ook een stuk ouderbegeleiding, want zij hebben een voorbeeldfunctie voor het kind.” Niet iedereen is er even trots op zegt zij hulp moeten zoeken, volgens Bisschop. “Wat wij merken is dat autochtone ouders er meer moeite mee hebben om toe te geven dat zij niet zo goed zijn in de Nederlandse taal, wat weer invloed heeft op hun kind. 4508639159_fc7a36f996_bVaak is er een gevoel van schaamte onder autochtone ouders, omdat zij het gevoel hebben dat het abnormaal is dat zij na een leven lang leven in Nederland de taal niet goed beheersen. Aan de andere kant geven allochtone ouders hun taalproblemen eerder aan, omdat zij hier niet zijn geboren en regelmatig de taal niet beheersen. De gezinnen die bij ons meedoen zijn een mix van allochtone en autochtone gezinnen. Op dit moment begeleiden wij vijftien autochtone en 25 allochtone gezinnen.”

Het is volgens Bisschop belangrijk dat er wordt geluisterd naar de behoeften van de ouders en het gezin. “Wij doen niks zonder overleg en toestemming van de ouders, maar de vrijwilligers helpen graag overal waar het nodig is. De deur van het gezin staat wagenwijd voor hen open. Ook is het belangrijk dat er per gezin wordt gekeken wat nodig is. Zo kan het dat het kind echt voorgelezen wil worden of zelf wil lezen, maar het kan ook dat zij samen met de rest van het gezin een spelletje gaan spelen. De naam VoorleesExpress kan daarom tot verwarring zorgen. Er wordt niet altijd gelezen, maar communicatie wordt aangemoedigd. Hierdoor krijgt het kind een grotere woordenschat en meer motivatie om zelf een boek op te pakken en de taal beter te leren.”

 

De vrijwilligers bestaan vooral uit gepensioneerden en studenten die klaar zijn met hun opleiding en iets voor de maatschappij willen betekenen. Volgens Bisschop zijn de vrijwilligers erg enthousiast, maar kan het wel een lastige taak zijn. “Het vergt veel creativiteit van de vrijwilligers om elk gezin te helpen. Zo hebben alle ouders en kinderen hun eigen behoeften, waar de taalvrijwilliger op zijn of haar manier mee omgaat. Je begint niet altijd gelijk met echt lezen, maar door prentenboekjes en samen praten, leren de kinderen toch veel woorden. Het zijn kleine stapjes die de vrijwilliger met het gezin maakt, wat zich uiteindelijk vormt tot één grote stap die ze nooit in één keer hadden kunnen zetten.

Voorlezen aan een vertrouwde viervoeter

LimoEen ander lopend project dat kinderen helpt met beter voorlezen is de Leeshond. Limo is zo’n hond. Hij gaat samen met zijn baasje Monique van Slooten elke maandagochtend langs bij SBO SAM locatie Van Limburg Stirumlaan in Doetinchem. Kinderen die moeite hebben met lezen mogen een stukje aan hem voorlezen, terwijl hij rustig op hun voeten ligt te luisteren. Hij heeft hiervoor een speciale training als therapiehond moeten volgen, waar lang niet elke hond voor slaagt. “Een hond moet van naturen een rustig karakter hebben”, vertelt zijn baasje. “Hij moet niet schrikken van kleine dingetjes, maar zich helemaal kunnen ontspannen terwijl hij bij het kind is.” Aan de leesochtenden zit een ritueel verbonden, zodat Limo en de kinderen precies weten waar ze aan toe zijn. “Hij ligt altijd op een kleed bij de stoel van de kinderen. Ook heeft hij een speciaal sjaaltje en zakje met koekjes die we alleen gebruiken bij het voorlezen. De kinderen weten ook precies hoe het werkt; een koekje geven, Limo even knuffelen als ze willen en daarna mogen ze voorlezen. We sluiten af met een koekje en een knuffel en dan is het volgende kind aan de beurt.” Dirk is één van de leerlingen die mag voorlezen aan de Leeshond, hij vindt het erg fijn en merkt dat hij beter is gaan lezen. “Limo is heel rustig en luistert goed, dat is fijn. Ik heb wel een huisdier; een muis. Ik heb eens aan hem proberen voor te lezen, maar hij liep steeds weg en viel een keer uit mijn hand. Dat werkte niet zoals het bij Limo gaat. Hij blijft tenminste liggen.”

 

Leesproblemen onder jongeren

Niet alleen onder kinderen is lezen en beter leren lezen belangrijk. Volgens meerdere mensen worden de leerlingen op de middelbare school regelmatig vergeten. Toch heeft 13,8 procent van de 15-jarige Nederlandse leerlingen met begrijpen wat in hun schoolboeken staat. Ook scoort deze leeftijdsgroep, vergeleken met andere landen, erg laag wat betreft leesmotivatie.

Schrijven voor middelbare scholieren met leesproblemen

Schrijfster, Nederlands docente en psycholinguïst Marian Hoefnagel biedt een mogelijke oplossing voor deze lage leesmotivatie. Hoefnagel heeft in haar carrière 25 boeken geschreven voor scholieren die wat meer moeite hebben met lezen. Een aantal van deze boeken is vertaald naar het Engels, Duits, Spaans en Catalaans. Door voor deze groep te schrijven, wil zij de jongeren stimuleren om meer te lezen en ze er echt plezier in geven. “Het meest interessant voor deze leeftijdsgroep zijn verhalen waar zij zich in kunnen vinden. De verhalen die ik schreef waren vaak gebaseerd op de dingen die er gebeurden op de school waar ik docente was. Dit gaat vaak over issues die spelen onder de jongeren zoals homoseksualiteit en liefde.” Omdat de schrijfster zelf les heeft gegeven aan jongeren met leesproblemen en laaggeletterden kan zij na eigen zeggen zich goed inleven in de lezers. “Ik schrijf ook boeken voor volwassenen, wat een heel ander proces is. Bij volwassenenboeken kan ik gewoon mijn gedachten opschrijven en het creatieve proces de vrije loop laten gaan. De boeken die ik schrijf voor jongeren vergen meer werk. Ik moet bij elk woord nadenken en kan niet zomaar alles neerpennen wat ik wil. De bedoeling is natuurlijk dat zij begrijpen wat ik wil zeggen, waardoor ze het leuk vinden om het te lezen en daardoor hun taalkennis versterken. De reacties zijn dan ook positief. De leerlingen van mijn oude school waar ik in eerste instantie voor schreef vroegen gelijk om meer. Nu zetten veel middelbare scholen het op hun leeslijst en de positieve reacties blijven komen.”

Weinig aandacht voor laag leesniveau op middelbaar onderwijs

Francis Rou is orthopedagoge op VMBO praktijkonderwijs en merkt een laag leesniveau op op haar school. “Bij ons komen leerlingen op school die vaak het leesniveau hebben wat een kind aan het einde van groep vijf van de middelbare school normaal heeft. Dit kan op het regulier middelbaar onderwijs ook voorkomen, of in mindere mate. Het kan aan meerdere factoren liggen dat een kind een onvoldoende leesniveau heeft, wat doorvloeit in het middelbaar onderwijs. Zo hebben ouders bijvoorbeeld weinig tijd voor het kind, of zijn zelf laaggeletterd. Ook ligt er te veel druk op docenten. Er zijn zulke grote klassen dat het moeilijk is voor de leerkracht om elk individu te volgen in zijn of haar voortgang. Het belangrijkst is om een talige omgeving te creëren voor het kind op school, thuis en andere sociale milieus. Als er bijvoorbeeld veel gepraat wordt thuis en er kranten en boeken aanwezig zijn, wordt het kind geprikkeld om te lezen. Als ouders bijvoorbeeld met Sinterklaas een boek cadeau geven, wekt dit de interesse van het kind.”

7757402718_1151d094d2_oDe school waar Rou werkt heeft verschillende manieren om de leerlingen aan het lezen te krijgen. “Digitale boeken doen het erg goed. Computers en tablets wekken de interesse van jongeren, maar zo kan bijvoorbeeld het witte licht van het scherm ervoor zorgen dat zij gefocust blijven. Toch merk je dat veel mensen het idee hebben dat er vooral op de basisschool aan gewerkt moet worden, terwijl dit op het middelbaar onderwijs ook zeker nodig is.”

Dat er weinig aandacht wordt besteed aan een onvoldoende leesniveau op het middelbaar onderwijs is Marian Hoefnagel het mee eens. “Vaak zijn mensen van mening dat na het tiende levensjaar er niks meer gedaan kan worden aan een onvoldoende leesniveau. Niks is minder waar, na deze leeftijd kan het zeker gestimuleerd worden. Wat mij betreft kan er veel meer aandacht worden besteed aan taalprogramma’s op de middelbare school. Vaak denken leerlingen dat zij een hekel hebben aan lezen, tot zij een boek oppakken dat ze boeit en het daadwerkelijk blijkt dat lezen leuk is. Al lezen ze maar enkele boeken of juist heel veel, alles wat wordt gelezen is mooi meegenomen en heeft positieve invloed op de woordenschat.”

Conclusie

Vrijwel elke deskundige op het gebied van taalontwikkeling van het kind spreekt over de situatie thuis en op school. Dit is in het onderzoek ook zeer regelmatig teruggekomen. Ondanks dat er veel goede oplossingen worden geboden, kan het beter bij de wortel van het probleem worden aangepakt. Als een kind vanaf de geboorte af aan en door de hele basisschool en het middelbaar onderwijs wordt gestimuleerd blijft de taalontwikkeling en het leesplezier vooruit gaan. Dit werkt aanstekelijk voor anderen en later ook weer hun eigen kinderen. Door taalproblemen stevig aan te pakken kan deze vicieuze cirkel worden doorbroken. Verder is het ook belangrijk om niet te vergeten dat leesproblemen op het middelbaar onderwijs ook nog steeds bestaan, waardoor de leerlingen misschien minder goed presteren dan ze eigenlijk kunnen. Het is dus belangrijk dat kinderen en jongeren worden gestimuleerd. Als het leesplezier onder deze groep groeit wordt de vicieuze cirkel doorbroken, waardoor er later minder kinderen met leesproblemen zijn en er met meer plezier gelezen wordt.