Nog geen vijftig meter verderop staan boerderijen, maar in het Grootvenbos zijn geen sporen van mensen te vinden. Geen zwerfafval, geen paaltjes of wegwijzers, zelfs geen pad. Alleen de wind, overvliegende ganzen en een druk bruin vogeltje verbreken de stilte. Berken rijzen op uit roerloze plassen; in het zwarte water rotten gevallen exemplaren weg. Op een enorme eikenstam groeien paddenstoelen, mos overdekt het vermolmde hout.
Het Grootvenbos is een bosreservaat in de Deurnsche Peel, tegen de Limburgse grens. Sinds 1987 wordt het gebied met rust gelaten: er wordt geen hout meer geoogst, er worden geen bomen geplant, er wordt niet geplagd of gemaaid. De natuur doet hier wat hij wil.

Dat het Grootvenbos niet meer beheerd wordt, betekent niet dat het ook echt wilde natuur is. Hebben we in het dichtbevolkte Nederland wel echte wildernissen? En wanneer is natuur eigenlijk ‘wild’? Wilde natuur is nou niet direct de meest controversiële Nederlandse kwestie, maar aan verwildering zijn ook consequenties en risico’s verbonden. Dit stuk gaat op zoek naar het antwoord op de vraag: kunnen natuurgebieden in Nederland verwilderen?

Natuurlijke processen voorop

Het Beekbergerwoud, een oerbos nabij Apeldoorn, werd aan het einde van de negentiende eeuw gekapt. Daarmee verdween volgens publicist Stefan Pasma het laatste stuk écht wilde natuur in Nederland.
“Nederland heeft geen echt ongerepte natuur, maar er zijn wel natuurgebieden in Nederland die je een indruk geven van hoe wilde natuur in Nederland eruit zou kunnen zien”, legt hij uit. Op zijn website ongerepte-natuur.nl houdt hij daar een actueel overzicht van bij. “Je kunt die gebieden opdelen in twee typen: de zestig bosreservaten en de nieuwe natuur, bijvoorbeeld de natuur die in de uiterwaarden is ontwikkeld. Onze rivieren zijn bij lange na niet meer natuurlijk, maar binnen de rivierdijken, in de uiterwaarden, konden in korte tijd vrij wilde natuurgebieden ontstaan.”

“Ik ben voorstander van wilde natuur waar niet gestuurd wordt, waar natuurlijke processen echt voorop staan”, vervolgt hij. “Eenmalige ingrepen in de begintijd van een gebied vind ik ook geen ramp, dat er bijvoorbeeld wat bomen worden omgetrokken om een storm na te bootsen of dat exoten worden weggehaald. Maar ik vind wel dat beheerders daar op een gegeven moment mee moeten stoppen. Forse ingrepen in een gebied moet je in het begin doen, daarna moet je het gewoon loslaten en afwachten wat er gaat gebeuren.”

Redactie | Onderzoeksredactie De 60 officiële Nederlandse bosreservaten. Bron: Wageningen University & Research, Programma Bosreservaten.

17% beschermde natuur

Volgens de meest recente cijfers van het CBS bestond Nederland in 2012 voor 14% uit bos en natuurlijk terrein. Ter vergelijking: woongebieden en bebouwd terrein waren samen goed voor 12% van het oppervlak. Ongeveer twee derde van het landoppervlak was agrarisch terrein.

Op de biodiversiteitstop van de Verenigde Naties in 2010 heeft Nederland echter beloofd 17% van het landoppervlak als natuur te beschermen. Om die afspraak na te komen, moet Nederland dus hard aan de slag met natuurontwikkeling.

In 1990 werd de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in Nederland ontwikkeld. Dit natuurnetwerk moest natuurgebieden met elkaar verbinden en zo de biodiversiteit verbeteren. Al het areaal dat tot de EHS behoorde, besloeg precies 17% van ons landoppervlak. In 2013 werd de EHS door bezuinigingen uitgekleed en ging deze Natuurnetwerk Nederland heten.

Pasma ziet het liefst de oorspronkelijke EHS terugkeren, met daarbij ook nieuwe afspraken over hoeveel van die natuur wild mag zijn. “In Duitsland zijn ze daar veel verder mee dan wij: dat land heeft op de VN-biodiversiteitstop het doel gesteld om in 2020 op 2% van het landoppervlak wilde natuur te hebben. In Nederland zouden we daar ook rijksbeleid op moeten ontwikkelen.”

Meters per eeuw

Volgens Arnout-Jan Rossenaar, ecoloog bij Staatsbosbeheer, is verwildering bevorderlijk voor de biodiversiteit. “We weten dat de natuurlijke loofbossen die hier vóór de komst van de mens waren een grotere biodiversiteit hadden dan de naaldbossen die later zijn aangeplant. Maar die naaldbossen hebben ook weer een bijzondere biodiversiteit: daar groeien bijvoorbeeld hele specifieke paddenstoelensoorten.

De toename van biodiversiteit gaat wel heel langzaam. Paddenstoelen en mossen verspreiden zich dankzij hun sporen vrij snel, maar bij hogere planten gaat dat heel langzaam. In België heeft men onderzoek gedaan naar hoe snel een bosanemoon zich verplaatst. Dat gaat met meters per eeuw. Als we dus nieuwe soorten in een natuurgebied willen hebben, moeten we ongelooflijk veel geduld hebben.”

Ook kunnen wilde natuurgebieden een positieve invloed hebben op het toerisme en dus op de economie. “Kijk maar eens naar Yellowstone, een nationaal park in de Verenigde Staten”, zegt Stefan Pasma. “Daar heb je wolven, wisenten en beren, dat trekt veel toeristen. In Drenthe zijn bijvoorbeeld plannen om herten en zwijnen weer toe te laten, dat maakt de natuur daar nog aantrekkelijker. Grote gebieden kunnen ook meer toeristen opvangen. Aan de randen kun je dan redelijk intensieve recreatie toestaan, terwijl het naar het hart toe steeds rustiger wordt.”

Maatschappelijke overweging

Het laten verwilderen van natuurgebieden kan echter ook problemen met zich meebrengen. De eersten die daar dan mee te kampen krijgen, zijn in de meeste gevallen de boeren die vlakbij zo’n wild natuurgebied wonen en werken. “Boeren proberen zo goed mogelijk om te gaan met invloeden van buitenaf. In de omgeving van een stuk wilde natuur kunnen ze te maken krijgen met dieren, onkruiden, misschien ziektes die daar ontstaan”, vertelt Hendrik Hoeksema, programmaleider transitie bij landbouworganisatie ZLTO.

Volgens Hoeksema zijn boeren niet als groep voor of tegen verwildering, maar verschilt dat per persoon. “Het is een maatschappelijke overweging die we met elkaar moeten maken”, licht hij toe. “Wat hebben we er voor over? Natuur laten verwilderen kost geld, boerenland inruilen voor natuur betekent minder voedselproductie. Als je minder boerenland hebt moet je misschien op het overgebleven land intensiever boeren om de productie te halen.”

Malaria

“In Nederland hebben we het bijna niet over samenleven met natuur en wat daar de risico’s van zijn”, zegt Hoeksema. “Eén wild zwijn levert geen schade op, maar als ze door je stad gaan lopen, is het een ander verhaal. Als er ongelukken worden veroorzaakt, krijgen we hele andere discussies. Wat ik daarmee wil zeggen is dat we het met elkaar moeten hebben, net zoals we dat over de landbouw doen, over wat het produceren van natuur ons waard is. Weten we dat daar consequenties aan zitten? Als we natuur gaan vernatten, krijgen we misschien wel malaria terug. Vroeger kwam dat in Nederland voor. Je moet het er met elkaar over hebben wat je accepteert. Net als met de Schipholganzen: dat was een probleem voor de boeren, op een gegeven moment werd het een probleem voor de luchtvaart, dan wordt het opeens groter en dan pas gaan we het er met elkaar over hebben. Ik denk dat de problemen te laat worden besproken.”

Hoe groter, hoe meer soorten

Als we dan toch voor wilde natuur kiezen, welke gebieden zijn dan het meest geschikt om te laten verwilderen? Volgens Rossenaar moeten we daarbij naar de grootte van de gebieden kijken. “De oppervlakte van een gebied is belangrijk voor de kwaliteit van de natuur daar. Hoe groter een natuurgebied is, des te meer soorten kunnen daar leven. Voor het aanwijzen van bosreservaten kiezen we voor bossen met een grote oppervlakte.”

Robuuste verbindingen

“Voor een deel kun je bestaande natuur laten verwilderen, bijvoorbeeld op de Veluwe”, suggereert Pasma. “Verder denk ik dat we de EHS van 1990 weer moeten oppakken en die robuuste verbindingen moeten gaan realiseren. Via die corridors kunnen ook grote dieren zoals herten en zwijnen zich van het ene naar het andere natuurgebied verplaatsen. Dat is ook belangrijk om de boeren geen overlast te geven: anders trekken die dieren via boerenland, waar ze schade aanrichten. Op dit moment zitten die dieren ‘opgesloten’ in de afgezonderde natuurgebieden, dus op dit moment zou het mijn prioriteit zijn om die verbindingen te realiseren. Maak ze maar meteen lekker wild door de natuur daar zijn gang te laten gaan.”

Ook moet de overheid volgens Pasma veel land aankopen om die robuuste natuurverbindingen te creëren. “Als er in Nederland een nieuwe spoorlijn of snelweg moet komen, wordt er een milieueffectrapportage gedaan, de boeren die op dat tracé zitten worden uitgekocht en krijgen een compensatie, maar als het om de natuur gaat, is er bij de politiek nogal wat aarzeling om de boeren van hun land af te halen. Maar ik denk dat de overheid gewoon heel eerlijk tegen boeren moet zeggen: wij willen flink wat natuur ontwikkelen, daar en daar gaan we een tracé uitstippelen en dat betekent dat we die grond gaan opkopen. Ik vind ook dat boeren goed gecompenseerd moeten worden, dat ze de mogelijkheid moeten krijgen land te ruilen, zodat het de boeren ook nieuwe kansen biedt.”

Samenwerken

Samenwerking met de boeren is daarbij ook belangrijk, zegt Hoeksema. “Twee derde van de Nederlandse grond is in het bezit van boeren. Daarmee zeg ik hoe belangrijk boeren zijn voor natuur en natuurontwikkeling. We zijn er bij gebaat als natuurorganisaties en boeren gezamenlijk zeggen welke ambities ze hebben op het gebied van biodiversiteit en ecologie. Sommige boeren en natuurorganisaties vinden dat boerenland en natuur gescheiden moeten blijven, anderen geloven meer in verweving. Je hebt elkaar nodig om er een succes van te maken.”

In Nederland is echt wilde natuur voorlopig nog toekomstmuziek. Alleen als we als samenleving bewust kiezen voor het laten verwilderen van onze natuurgebieden en ook bereid zijn de lasten en consequenties daarvan te dragen, kunnen we onze greep op de natuur op een veilige manier loslaten en deze de ruimte geven.