Door Ilse van het Erve en Itske Eertink

Na de aanslagen in Parijs werd de hele wereld wakker geschud. In Brussel werd het hoogst mogelijke dreigingsniveau afgegeven. In Antwerpen staan op iedere straathoek zwaarbewapende militairen, klaar om bij iedere mogelijkheid tot een aanval in te kunnen grijpen. Hoe zit dit in Nederland? Houdt de politie zich nu meer bezig met terrorisme dan voorheen? Yvonne Vermeeren is wijkagent in de wijk Nijmegen-Oost en stelt dat zelfs in een stad als Nijmegen extra op terreur wordt gelet.

‘’Dit komt onder andere door de vluchtelingenstroom waarmee de stad te maken heeft. Nijmegen beschikt over de grootste opvanglocatie van Nederland, Heumensoord. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat vluchtelingen direct in verband staan met terreur. Maar mensen met verkeerde en radicale denkwijzen kunnen zich hier ongezien mengen.’’ Heumensoord heeft plek voor 3000 vluchtelingen en de locatie blijft open tot 1 juni 2016. Ze blijven op Heumensoord tot de asielprocedure is gestart, dit duurt zo’n vier à vijf maanden. Daarna worden ze overgeplaatst naar AZC’s verspreid door het land.foto 2e artikel

Vermeeren houdt toezicht in Nijmegen-Oost, een wijk waar zich zo’n AZC bevindt. Ze staat intensief in contact met het COA en de directeur. ‘’Zo nu en dan doen zich incidenten voor waarbij radicale uitspraken worden gedaan. Ik ga met een ander gevoel op zo’n situatie af na de aanslagen in Parijs. Ik vertrek met het beeld dat het een terrorist is, of iemand met terroristische ideeën of plannen en ga daarvan uit tot het tegendeel bewezen is.’’ Ze nuanceert dit gevoel door te relativeren: ‘’Waar je ook vanuit moet gaan is dat dat AZC er al bijna dertig jaar zit, zonder problemen. Dat vind ik ook een basis. Zo’n instelling heeft een aparte veiligheidsafdeling en daar zullen ze hoogstwaarschijnlijk ook extra alert zijn. Ook zijn deze mensen vaak getraumatiseerd en kunnen daardoor dingen zeggen of doen waar ze achteraf spijt van hebben. Waarom zouden we dan ineens heel spastisch moeten gaan doen? Pas als het om specifieke personen gaat met gedachten of uitspraken waar de medewerkers zich zorgen om maken moeten we ingrijpen.’’

Vermeeren heeft zelf een methode moeten bedenken om een dergelijke confrontatie aan te gaan. ‘’Bij zo’n confrontatie vraag ik allereerst om de beweegredenen om naar Nederland te komen, vervolgens naar de actuele status betreft de asielprocedure en dan wat diegene wil bereiken. Wat ik ook belangrijk vind is hoe diegene het in Nederland vindt en in welke mate hij het geloof uit. Tenslotte vraag ik nog of hij snapt dat dergelijke uitspraken als bedreigend kunnen overkomen op deze maatschappij. Het gesprek rapporteer ik en werk ik uit. Wijkt een van de antwoorden af van wat gangbaar is, dan gaan we kijken of we diegene in de gaten moeten houden. Wat je hierbij kunt bedenken is of iemand bijvoorbeeld een lange weg gegaan is om naar Nederland te komen, of dit land als doelgericht gekozen heeft en in één keer is doorgereisd. Of dat iemand alleen is, of een gezin heeft. Tot nu toe heb ik bij ieder gesprek logische verklaringen gehoord, en snapten ze dat we alerter zijn en deze vragen moeten stellen. Zelf vind ik het wel een zware maatregel als gevolg van een uitspraak die iemand gedaan heeft. Na een dergelijke confrontatie heeft diegene vaak spijt en vindt het verschrikkelijk dat hij in verband is gebracht met hetgeen dat hem uit zijn land verdreven heeft, IS.’’

De wijkagent is volgens Vermeeren een belangrijke contactpersoon. ‘’Als mensen in ‘mijn’ wijk radicaliseren, heb ik daarin een heel duidelijke verantwoordelijkheid. Ik merk dat mensen steeds alerter worden en dingen sneller bij me melden. Hebben die meldingen met terrorisme of vluchtelingen te maken, dan vallen deze beide onder een speciale code. Alles komt bij elkaar in een ‘bak’ terecht, maar de instructie wat met deze meldingen gedaan moet worden blijft helaas uit. Wij als agenten kunnen niet meer dan in gesprek gaan met deze mensen en daarmee informatie vergaren en analyseren. Vaak worden radicale uitspraken gedaan door mensen die getraumatiseerd zijn. Ik kan als wijkagent niet bepalen of het erg is of niet. Ik heb daar geen idee van. Wat in mijn ogen moet gebeuren is specialisten die echt verstand hebben van terreurdreiging, radicalisering en van bepaalde vormen van geloof een soort stroomschema gaan maken. Daar moet in staan waar wij als politie op reageren door bijvoorbeeld een gesprek te beginnen of wat we afdoen door het enkel vast te leggen. Ook moet duidelijk worden wanneer speciale eenheden moeten worden ingezet.’’

Iedere agent wordt op de hoogte gehouden van de laatste ontwikkelingen omtrent terreurdreiging via de email. Zo werd Vermeeren ingelicht dat ze extra op bakfietsen moest letten op Oudjaarsdag. ‘’Ik werk in een wijk waar bakfietsen heel hip zijn en dus in groten getale. Je associeert dat niet meteen met terreur. Daar komt bij dat ik niet weet wat ik moet doen als ik een verdacht persoon bij een bakfiets zie. Wij als Nederlandse politie zijn heel goed in het vergaren en analyseren van informatie, maar ik merk dat het ontbreekt aan het vervolg. Ik krijg een mail dat ik op moet letten, maar daar staat niet concreet in wat ik vervolgens moet doen. Natuurlijk kan ik door ervaring zelf inschatten hoe ik in veel situaties moet handelen, maar als het om terreur gaat is hier nog te weinig over bekend.’’

De politie kreeg wel instructie wat te doen indien iemand met een kalasjnikov de aanval inzet en meerdere slachtoffers maakt. Vermeeren zegt daarover niet onder de indruk te zijn: ‘’Wij zijn daar niet op uitgerust, maar wel het dichtstbij. De politie is 24 uur beschikbaar en dus het snelst ter plaatse. Dan moeten wij iets doen, maar iedereen wordt er ongemakkelijk van. Je weet dat je geen schijn van kans hebt, ook al zijn we gewend op locaties af te gaan waar je weet dat het gevaarlijk is. Natuurlijk blijf je niet zitten, je wil iets doen, maar dat kan niet altijd. In de instructie staat vervolgens wat we allemaal al weten. Bijvoorbeeld dat je aan je eigen veiligheid moet denken, een zichtpositie in moet nemen, informatie moet vergaren en indien mogelijk het doel uit moet schakelen. Dit is niks nieuws. Ik heb het idee dat het meer bedoeld is om in te dekken, zodat achteraf niet gezegd kan worden dat iedereen onvoldoende geïnformeerd was.’’

Vermeeren hoopt dat op den duur een gepaste training ontwikkeld word. ‘’Nadat Tristan van der V. in Alphen aan de Rijn in een winkelcentrum zijn automatische wapen leegschoot, zijn AMOK-trainingen ingesteld. Dat betekent dat je melding krijgt dat ergens geschoten wordt en dat terwijl wij ter plaatse komen schoten te horen zijn en dus slachtoffers gemaakt kunnen worden. Je gaat erop af in duo’s en probeert iets te kunnen betekenen. Dit is eigenlijk ook een situatie die niet haalbaar is voor ons, maar je weet dat je toch iets gaat ondernemen. We zijn dus getraind om dat zo veilig mogelijk te doen. Ik weet in zo’n situatie hoe ik moet handelen. Met betrekking tot terrorisme is nog niets bedacht, dat moet nog komen. Ik merk dat in de hogere lagen al goed nagedacht is hoe te handelen naar terreurdreiging, maar in het veld nog niet. Wij moeten getraind worden op meerdere rampscenario’s die zich mogelijk zouden kunnen aandienen. Het trainingscentrum heeft hier natuurlijk tijd voor nodig.’’