Joris is vijftien jaar. Hij is enig kind en zijn ouders zijn een paar maanden geleden gescheiden. Omdat hij verdrietig is en zich alleen voelt kan hij zich niet meer concentreren op school en gaat hij onvoldoendes halen. Met leraren wil hij niet praten, want die begrijpen hem toch niet. Zijn ‘vrienden’ zitten allemaal een klas hoger. Stoere jongens die liever op hun scooter rijden dan dat ze naar school gaan. Joris begint steeds vaker te spijbelen. Op een dag sporen zijn vrienden hem aan om iets te jatten uit de supermarkt, een chocoladereep. Als hij dit doet verdient hij hun respect. Joris moet steeds meer van dit soort ‘klusjes’ doen voor de oudere jongens. Hij begint het zelfs leuk te vinden, tot het moment dat hij een oudere vrouw van haar tasje moet beroven. Met tegenzin en een brok in zijn keel rent hij op de vrouw af en rukt haar tasje van haar arm. Terwijl hij wegrent ziet hij nog net hoe het oude vrouwtje gillend op de grond valt. Tranen springen in zijn ogen, hij heeft nu al spijt van zijn actie. De wijkagent die toevallig de hoek om komt lopen, ziet dat Joris op de vlucht is en houdt hem hardhandig tegen: ‘’meekomen jij!’’

 

Dit is zomaar een omschrijving van de gemiddelde jeugddelinquent. Probleemjongeren als Joris zitten vaak in de knel met zichzelf en hebben een ingewikkelde achtergrond. Dit korte onderzoek gaat over de manier waarop deze jongens geholpen of behandeld worden en hoe groot het recidivegevaar is.

Het eerste traject is natuurlijk de arrestatie en de veroordeling. Vaak komen jongeren tussen de twaalf en achttien jaar terecht bij Bureau Halt. Deze organisatie werkt met jeugdrechters en deelt mildere straffen uit. Dit varieert van alleen een excuusbrief schrijven tot een verblijf in jeugddetentie. In het geval van Joris gaan we van het ergste uit en krijgt hij drie maanden jeugddetentie.

Het volgende proces is het verblijf in jeugddetentie. Wat wordt daar precies gedaan om Joris te helpen?

Eén van de justitiële jeugdinrichtingen in Nederland is de Heuvelrug in Eikenstein. Deze instelling behandelt jongeren tussen de twaalf en vierentwintig jaar met ernstige gedragsproblemen en delinquent gedrag. Op de website van de Heuvelrug (http://www.dji.nl/organisatie/locaties/justitiele-jeugdinrichtingen/de-heuvelrug/index.aspx) staat uitgelegd hoe de behandeling werkt. In een jeugdinstelling als de Heuvelrug gaat het leven voor de jongeren eigenlijk gewoon door. Het is de bedoeling dat ze naar school gaan en op hun eigen niveau lessen volgen, desnoods speciaal onderwijs. Het enige verschil is dat ze niet in hun eigen school les hebben, maar op de Heuvelrug zelf. Daarnaast is er een landelijk jeugdprogramma (YOUTURN) die zoals op de site beschreven ‘erop gericht is om jongeren te helpen competenties te ontwikkelen en vaardigheden aan te leren, om taken te vervullen waarvoor zij zich in het dagelijkse leven gesteld zien, om moreel besef en verantwoordelijk gedrag te ontwikkelen en hierbij elkaar te helpen.’

Met andere woorden, deze jongeren wordt in zo’n instelling aangeleerd wat goed is en wat fout, en hoe zij verantwoordelijk met elkaar en met de samenleving kunnen omgaan. Eventueel kunnen er gedragsinterventies toegepast worden, om beter door te kunnen dringen tot een probleemkind.

Na de drie maanden jeugddetentie is er nog een heel traject aansluitend op het verblijf in de instelling, om nazorg te kunnen bieden. Dit heet een STP, een scholings-en trainingsprogramma, om zo goed mogelijk te kunnen terugkeren in de maatschappij. Na ontslag uit de jeugdinstelling krijgt de jongere ook een persoonlijk begeleider die hem/haar bij het programma zal helpen.

Toch zijn er te veel jongeren die na hun detentie terugvallen in de criminaliteit. Volgens Esther van Leeuwen-Hoogstrate, oud medewerker van een jeugddetentiecentrum keert zelfs negen van de tien jeugddelinquenten terug in detentie na een langdurig traject. Volgens haar is de nazorg helemaal niet zo goed: ‘’Wat ik veel zie is dat jongeren heel goed meedoen en heel veel leren tijdens hun verblijf in het detentiecentrum, maar als ze gaan resocialiseren vallen ze terug in criminele activiteiten. Dit ligt aan de begeleiding die ze hierna krijgen. Tijdens het verblijf in onze instelling zien de jongeren continu dezelfde gezichten en leren ze mensen vertrouwen. Ze werken veel samen met elkaar en doen aan teamsport. Na dit traject komen ze weer terug in hun thuissituatie, waar verder niks aan verandert. Ze komen weer in contact met dezelfde vrienden, waardoor ze weer terugvallen in crimineel gedrag. ‘’

Ook het vertrouwen dat de jongeren in detentie hebben opgebouwd met psychologen en met andere jongeren vermindert zodra ze gaan resocialiseren. Esther: ‘’In het nazorg traject ziet een jongere eigenlijk hele andere mensen dan hij of zij eerst heeft gezien. Zo’n kind heeft heel veel moeite met vertrouwen en kan dus zijn of haar problemen niet toevertrouwen aan een vreemd gezicht. Deze maatschappelijk werkers zijn er ook niet heel vaak, dus zo kan er geen binding plaatsvinden. Wat ook een probleem is dat de ouders vaak niet goed worden begeleid. Het is voor hen ook lastig als hun kind probleemgedrag vertoont, maar ze worden na een detentietraject heel weinig op de hoogte gehouden. Ze krijgen af en toe een telefoontje waarin ze kunnen overleggen met de nazorg, maar er is geen intensieve begeleiding waarbij niet alleen het kind, maar ook de ouders worden geholpen.’’

Een oplossing voor dit probleem zou dus kunnen zijn, dat er veel betere nazorg wordt geboden dan dit. Meer begeleiding voor ouders, en de mogelijkheid voor een jeugddelinquent om een band te krijgen met zijn of haar maatschappelijk werker. Zo zal het aantal recidieven teruggedrongen worden.