Door Kelly Rademakers en Yenthe Stuurman

Nederlanders staan in andere landen vooral bekend om molens, wiet, kaas, tulpen en onze gierigheid. Het liefst shoppen we allemaal in de sale. En ga je samen uit eten, dan betaalt iedereen voor wat er op hun bordje ligt. Echter blijkt de Nederlandse bevolking niet zo gierig te zijn als het op het helpen van anderen aankomt. Een grote meerderheid van de Nederlanders doneert namelijk aan goede doelen. Dit blijkt uit het ING-rapport ‘Van donatie naar relatie’.
Ondanks dat wij Nederlanders zulke vrije gevers zijn als het op goede doelen aankomt, heeft toch 67 procent weinig vertrouwen in deze doelen, aldus ING. Het ANBI en het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) hebben erkenningen en keurmerken in het leven geroepen om het vertrouwen van donateurs een beetje te vergroten. Met zo een keurmerk kun je als stichting namelijk aantonen dat het geld besteed wordt aan de doelstellingen die je hebt geformuleerd. Voordat een stichting hiermee mag pronken, moet het eerst door een strenge controle, waarbij onder andere de jaarverslagen goed onder de loep worden genomen. Maar hoe streng is die controle eigenlijk en hoe betrouwbaar zijn de organisaties die deze keurmerken uitgeven.

Centraal Bureau Fondsenwerving
Nederland kent inmiddels bijna 1.600 goede doelen. Dat zijn er veel. Al deze stichtingen hebben als doel de samenleving een beetje beter te maken. Of ze zich nou willen richten op hulpeloze dieren, armen, ziekte willen bestrijden of ontwikkelingshulp willen bieden, alles is mogelijk. Om deze doelstellingen waar te maken is geld nodig vanuit de Nederlandse bevolking, maar als donateur zijnde wil je natuurlijk wel graag weten of je geld op de juiste plaats terecht komt en niet de zakken van de directeurs vult. Daarom is het Centraal Bureau Fondsenwerving in het leven geroepen om hier toezicht op te houden.
Van de 1.570 goede doelen die op dit moment vanuit Nederland opereren zijn er 470 door het CBF erkend. Dit betekent dat minder dan een derde van alle goede doelen door het CBF wordt erkend. Dat roept natuurlijk de vraag op hoe belangrijk een erkenning van het CBF daadwerkelijk is. Een oorzaak van dit lage aantal erkende stichtingen kan zijn dat het CBF tot voorkort alleen erkenningen verstrekte aan goede doelen die langer dan drie jaar bestonden en jaarverslagen van deze periode beschikbaar hadden. Stichtingen die dus nog maar net in de kinderschoenen staan, vielen al af voor een keurmerk.

Per 1 januari 2016 is het CBF-Keurmerk veranderd naar de CBF-Erkenning. Met deze verandering zijn ook de normen van de erkenning aangepast. Ze gaan niet langer enkel over fondsenwerving en kostenpercentage. Tegenwoordig wordt er ook gekeken naar effectiviteit en efficiëntie van de betreffende organisatie. Hieronder valt de missie en maatschappelijke waarde, de middelen, de activiteiten, de resultaten en de maatschappelijke impact. Uiteindelijk moet er verantwoording af worden gelegd aan de belanghebbende; de donateurs.

Vraagtekens
De erkenning roept echter wel vraagtekens op. De grootte van de organisatie bepaalt namelijk welke normen er van toepassing zijn. Het CBF heeft hiervoor vier categorieën gecreëerd, A tot en met D. In welke categorie een goed doel valt heeft te maken met de som der baten van de stichting. Dit betekent dat hoe groter de totale omzet van de organisatie is, des te strenger de eisen zijn. Goede doelen die in categorie A vallen hebben een totale som der baten van maximaal 100.000 euro, in categorie B vallen de organisaties met een som der baten van maximaal een half miljoen en tot twee miljoen valt een stichting in categorie C. Alle goede doelen die hierboven zitten worden als categorie D benoemd. Deze categorieën hebben hun eigen eisen, waarbij A het minst zwaar is en D aan de zwaarste eisen moet voldoen. Zo verwacht het CBF van een organisatie die in categorie D valt bijvoorbeeld dat zij een missie en visie geformuleerd hebben die zoveel mogelijk is uitgewerkt in concrete activiteiten, terwijl dit bij een categorie A stichting niet nodig is. Toch wel vreemd, want ook van een kleine stichting verwacht je toch duidelijke plannen.

“Kleine goede doelen hebben minder geld te besteden en krijgen minder geld binnen, daardoor hebben ze een kleinere organisatie en minder grote projecten. Een kleine organisatie zit daardoor anders in elkaar dan een grote organisatie,” vertelt Map van der Wilden, voorlichter van het CBF. Dat verklaart dus ook waarom een kleine organisatie aan andere normen moet voldoen dan een grote organisatie. Daarnaast vertelt Van der Wilden ook dat de basisnormen voor iedereen hetzelfde zijn, maar dat hoe groter de organisatie is, aan des te meer eisen deze moet gaan voldoen.

Hieronder een overzicht van de normen per categorie (dit zijn de normen zijn per 1 januari 2017).

Erkenning bemachtigen
Volgens Van der Wilden kan ieder goed doel dat aan de normen voldoet in aanmerking komen voor een erkenning maar wat opvalt is dat het CBF toetsingskosten vraagt aan stichtingen die een erkenning aanvragen. En heb je de erkenning al, dan moeten er nog toetsingsbijdragen betaald worden. Say what? Ja, echt waar, een goed doel moet betalen voor de erkenning van het CBF. Waar komt dat geld dan vandaan? Dat kan zomaar eens uit de donaties van de bevolking komen. En wat wordt er van dat geld betaald? De donaties die goede doelen ontvangen, worden in ieder geval één keer doorgespeeld naar het CBF zodat zij hier hun loonstroken mee kunnen vullen. Het klinkt alsof een stichting met genoeg geld dus een erkenning kan kopen, in plaats van verdienen. “Het is heel normaal dat er voor keurmerken en registraties betaald wordt. De mensen die deze beoordelingen doen, doen dit als baan. Hun salaris wordt er dus mee betaald. Goede doelen betalen dit uit hun inkomsten.” laat Van der Wilden weten. “Het is geen omkoperij, een erkenning kan niet worden gekocht, je krijgt deze pas als je aan de normen voldoet.” Misschien is de betalingsregeling geen omkoperij, maar het zorgt wel voor een zekere afhankelijkheid. Het CBF moet namelijk de werknemers betalen en als zij geen erkenningen verstrekken komt er ook geen geld in het laatje.

Consequenties
Het CBF is dus verantwoordelijk voor de toetsing van goede doelen organisaties. Als een organisatie er een potje van maakt moeten hier dus ook consequenties aanhangen. Echter kan het CBF niet veel meer doen dan een erkenning intrekken. Ilja van Alten, coördinator communicatie van de CliniClowns, een organisatie die aangesloten is bij het CBF beschrijft dit als volgt: “Het CBF kan als sanctie een organisatie onder verscherpt toezicht plaatsen en uiteindelijk de erkenning intrekken als de normen niet meer gehaald worden.” Er zitten dus in eerste instanties geen consequenties aan het wegsluizen van geld of het niet nakomen van de normen van het CBF. Het CBF houdt alleen toezicht en is niet verantwoordelijk voor de daden van de organisaties die hun keurmerk mogen gebruiken. “Als er strafbare feiten gepleegd zijn dan moeten betrokkenen daar aangifte van doen, wij zijn daar niet verantwoordelijk voor,” aldus Van der Wilden.

In maart 2016 heeft het CBF het keurmerk van ANGO (Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie) ingetrokken, omdat deze stichting niet langer keurmerk waardig was. Wegens een gebrekkig jaarverslag werd de vereniging in 2015 onder verscherpt toezicht gezet. “Het verscherpt toezicht hield in dat het CBF door ANGO nauwgezet geïnformeerd werd over de uitvoering van een plan van aanpak om de continuïteit van de organisatie te waarborgen. Daarvoor kreeg de organisatie enkele maanden de tijd“, is te lezen op de website De Dikke Blauwe. Toen dat niet lukte is het keurmerk door het CBF ingetrokken. ANGO is sinds 15 maart 2016 failliet verklaard door de rechtbank Midden-Nederland.

Het CBF handelt dus weldegelijk als er iets niet pluis is. Maar hoe is het dan mogelijk dat er nog steeds organisaties zijn waarbij de directeuren boven de Balkenendenorm verdienen? Deze vrijwillige norm is in 2006 ontstaan en moet openbare bestuurders in Nederland er van weerhouden meer dan 130 procent van een ministerssalaris te verdienen. Volgens balkenendenorm.com zijn er ruim 2.600 publieke functionarissen die de norm overstijgen. Van een goede doelen organisatie die voornamelijk in leven blijft door middel van subsidies en donaties zou je ook verwachten dat zij deze norm hanteren. In de praktijk blijkt echter dat directeuren een aardig zakcentje overhouden aan het runnen van een goed doel. En geen enkele donateur wil zijn of haar geld in de zakken van een directeur zien verdwijnen, toch? Helaas blijkt uit de cijfers dit in de realiteit wel vaak gebeurd.

Een onderzoek van ‘Gewoon Nieuws’ uit 2013 laat zien wat de directeuren van een aantal grote Nederlandse organisaties verdienen. Bekijk de tabel hieronder voor een overzicht.

De conclusie
De conclusie die getrokken kan worden, is dat er veel valt af te dingen op de procedure van het CBF. Het betalen voor een keurmerk mag dan heel normaal zijn, maar het CBF is wel afhankelijk van deze inkomsten. Daarnaast zorgt de informatie die wordt gegeven op de website voor verwarring en een onduidelijk beeld van wat het CBF precies doet en inhoudt. Ook is het nog steeds onduidelijk hoe het kan dat het gros van de directeuren meer verdient dan onze eigen Minister President. Het CBF treedt wel op in schimmige situaties, wanneer een stichting niet transparant is, maar kan eigenlijk niet meer doen dan een erkenning intrekken. Aangezien 75 procent van de goede doelen in Nederland opereert zonder CBF erkenning ook, in hoeverre is het dan nodig om door het CBF erkend te worden?