Onderzoek

Drie jaar Voetbalwet, maar wanneer trappen we écht af?

Mar 07, 2018 Mart Meijer

Met een gezonde dosis bombarie werd in 2015 de aanscherping van de Voetbalwet gepresenteerd. ‘Een logische en noodzakelijke stap in de aanpak van notoire relschoppers’, reageerde de KNVB met veelbelovende woorden. Drie jaar later blijven de resultaten achter bij de belofte. Daarom gingen wij op onderzoek. Hoe effectief is de aanscherping van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, ofwel de Voetbalwet, in de aanpak van voetbalvandalisme?

Tekst: Nick de Jager & Mart Meijer

The Millwall of Holland. Als een buitenlandse toerist op internet research doet hoe een wedstrijd van ADO Den Haag te bezoeken, zou hij best eens op redelijk afschrikwekkende bronnen kunnen stuiten. De supporters van de Hagenezen worden op websites voor groundhoppers niet incidenteel gezien als het Hollandse equivalent van de fans van het Engelse Millwall, die doorgaans weggezet worden als vechtlustige barbaren.

Niet een eer om in een adem mee genoemd te worden, dus. Toch is de vergelijking tussen de Hagenezen en de Londenaren makkelijk te begrijpen. ADO’s voormalige stadion, het Zuiderpark, was een hotspot voor voetbalhooliganisme. Hoezeer politie en club ook poogden supporters in het gareel te houden, de drang naar wangedrag bleek hardnekkig sterk. ADO pikte het niet langer en pakte dit probleem aan in de bouw van het huidige Cars Jeans Stadion – volgens oud-Tweede Kamerlid Tjeerd van Dekken, initiatiefnemer van de aanscherping van de Voetbalwet, ‘een van de hufterproofste stadions van Europa’. Een belangrijk element daarin zijn biometrische scanners, die extreem nauwkeurig kunnen controleren wie het stadion in en uit gaan. Voor relschoppers met recidiverende ambities was het game-over.

Vooralsnog is Den Haag de enige stad waar dit systeem wordt toegepast. Dat heeft te maken met een koers die enkele kilometers verderop werd ingezet. De politiek richtte zich op de Voetbalwet, die in 2010 werd aangenomen. Snel werden er in de praktijk kinderziektes gespot, die in 2015 werden verholpen in een aanscherping. Inmiddels is de aanscherping ook al weer drie jaar oud, en komt de wettelijke evaluatie in 2020 dichtbij. Ondertussen zijn er in de cijfers geen positieve resultaten te zien. Zijn er ondanks die statistieken verbeteringen zichtbaar? Daar gaat dit onderzoek over.

Uit de aanscherping van de Voetbalwet komen vier voorname maatregelen naar voren. De aanpak van first offenders, de tevens-namensregeling, de invoer van digitale meldplicht en de intergemeentelijke meldplicht. Deze maatregelen worden alle vier individueel uitgelegd en geanalyseerd. Het ingaan op deze aanscherpingen wordt voorafgegaan door historische context van de Voetbalwet en voetbalgeweld in Nederland. Het onderzoek sluit af met een blik op de toekomst.

1 Hoe erg is het met Voetbalvandalisme in Nederland?

Nederlandse voetbalfans zijn niet de braafste jongetjes van de klas, zo blijkt ook uit de recente geschiedenis. Supporters van Jupiler League-club Fortuna Sittard reisden af naar Zweden om daar in de bossen een georganiseerde knokpartij aan te gaan met de aanhang van AIK uit Stockholm. Verder gooiden Willem II-supporters vuurwerk naar het familievak in De Kuip, terwijl zij recent al beboet waren voor misdragingen tegen supporters van aartsrivaal NAC. Ook Feyenoord gaat niet vrijuit: de Rotterdammers kregen in één week zowel van de KNVB als van de UEFA geldboetes vanwege verschillende vuurwerkincidenten. Een losse greep uit recente incidenten, maar het schetst een beeld van voorkomend gedrag onder Nederlandse voetbalsupporters.

Voor de goede orde: het is wel eens erger geweest met het voetbalgeweld in Nederland. In de jaren 90 vielen er nog een doden door supportersgeweld, blijkt uit een artikel van het Reformatorisch Dagblad. Ook is sindsdien het aantal stadionverboden gedaald.

Jaarverslagen van het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme (CIV) wijzen uit dat het aantal geregistreerde incidenten rondom voetbalwedstrijden de afgelopen jaren min of meer stabiel is. Er is sinds 2013 geen duidelijke neerwaartse trend te ontdekken, ook niet na de aanscherping van de Voetbalwet. Wel plaatsen zowel het ministerie van Justitie en Veiligheid als de KNVB een nuance bij deze cijfers. Tegenwoordig ligt de grootste problematiek volgens hen niet bij geweld, maar bij vuurwerk. Opmerkelijk daarbij is dat er in de afgelopen vijf jaar geen daling in het aantal geweldsincidenten gezien – het aantal mishandelingen steeg van 22 in 2012/2013 naar 31 in 2016/2017. Ook waren er afgelopen seizoen meer vechtpartijen dan in 2012. 39 in 2017 tegenover 29 vijf jaar geleden.

Wel kan men zich afvragen wat de cijfers van het CIV waard zijn. De verschillen in ernst van incidenten worden in de huidige methode niet voldoende duidelijk, zegt Jasper Weitering. Hij is medeverantwoordelijk voor het beleid rondom voetbalveiligheid bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Ook Matthijs Wiersma, beleidsadviseur wedstrijdorganisatie bij de KNVB, laat weten dat de voetbalbond met het CIV in gesprek is, omdat de cijfers nu nog geen compleet beeld schetsen. “Je moet je niet helemaal blind staren op de cijfers. Het is nu nog één grote vergaarbak. Dat zegt mij niet zo veel.” Opvallend daarbij is dat de KNVB op haar eigen website wel een beroep heeft gedaan op de cijfers van het CIV, toen deze in het seizoen 2012/2013 een afname in incidenten lieten zien.

De nuanceringen van het ministerie en de voetbalbond zijn natuurlijk niet uit de lucht gegrepen, maar voetbalhooliganisme is nog allerminst uitgeroeid op de Nederlandse velden.

2 Wat is de geschiedenis van de Voetbalwet?

De eerste stenen van de Voetbalwet werden al bijna twintig jaar geleden gelegd. Toen Henk Kesler in 2000 aantrad als directeur Betaald Voetbal bij de KNVB ging het balletje rollen. Hij maakte zich vanaf het begin van zijn termijn hard voor een wet die de aanpak van misdragers en hooligans makkelijker maakte: een zogeheten Voetbalwet. Vanaf dit moment begint de KNVB met lobbyen in Den Haag. Het zal nog jaren duren voordat er echt schot in de zaak komt.

Dat gebeurt in 2007. Halverwege dat jaar is daar de eerste aanzet tot de Voetbalwet, grotendeels door de KNVB bedacht en uitgewerkt. De volwaardige Voetbalwet wordt pas twee jaar later door de Tweede Kamer goedgekeurd. Zoals gebruikelijk in Nederland bureacratieland duurt het dan nog even voordat ook de Eerste Kamer groen licht geeft, maar op 6 juli 2010 is het dan zo ver. Een kleine twee maanden later, bij de start van het nieuwe voetbalseizoen, treedt de wet in werking.

Het duurt dan niet lang tot de kritiek op de wet ontstaat. De wet zou te slap zijn, het is een noodgedwongen compromis, er is onduidelijkheid. In mei 2012 – nog geen twee jaar na het in werking treden van de wet – dient Van Dekken (PvdA) samen met Richard de Mos van de PVV en CDA-Kamerlid Coşkun Çörüz een eerste initiatiefnota in met enkele aanscherpingen voor de voetbalwet. In maart 2013 is het eerste voorstel voor de aanscherping een feit. De Tweede Kamer stemt er twee jaar later over. De vernieuwde Voetbalwet kan wel rekenen op de steun van alle partijen, behalve de Partij voor de Dieren. Op 30 juni 2015 doorstaat de aanscherping ook de Eerste Kamer. Een dag later treedt ook deze in werking.

3 Hoe effectief zijn de maatregelen?

3.1 First offenders

De eerste maatregel uit de aanscherping is een hardere aanpak van first offenders. In de oorspronkelijke voetbalwet bleek dit nog wel eens een probleem. Als iemand een relatief ernstig delict pleegde, kon hij door een civiele rechter gestraft worden. Vanuit de gemeente was dat echter veel lastiger. De burgemeester of club hadden niet de handvatten om zelfs bij ernstige delicten zwaar te straffen. Een stadionverbod van één of twee wedstrijden, of iets van zo’n gewicht. Pas na drie openbare ordeverstoringen was iemand rijp voor een zware sanctie, zoals een gebiedsgebod. Een blok aan het been van burgemeesters.

Gerrit Urban, de veiligheidsadviseur in de gemeente Groningen, maakt meestal mee dat first offenders al in beeld zijn bij de gemeente. “Ze hebben in het verleden vaak al wat rottigheid uitgehaald, maar de gemeente heeft geen concrete oordelen om ze aan te pakken. We hebben geen dossier van ze kunnen opbouwen. Als er nu bij Groningen – Heerenveen incidenten plaatsvinden, kan ik het jaar erop op basis dáárvan een straf uitdelen. Dat maakt het veel makkelijker qua dossier. Het is eerder toepasbaar.”

Vooral op basis van vermindering in dossierlast is hier dus winst geboekt. Supporters die vaak betrokken zijn bij incidenten, maar steeds wettelijk de dans ontspringen, zijn nu direct het haasje op het moment dat zij zelf hoofdverantwoordelijk voor het incident zijn. In het oude systeem lag dat, vanwege de eis op herhaaldelijk gedrag, lastiger.

In Almelo heeft men een eigen systeem ontworpen, omdat veiligheidsadviseur Gijs Peterman niet tevreden was met de Voetbalwet op dit gebied. Hij gelooft in het principe van ‘sta je erbij, hoor je erbij’. Ben je betrokken bij een incident zonder iets te doen? Geel. Daarna nog een keer? Rood; gebiedsverbod. Het is beleid dat lijnrecht tegenover de Voetbalwet staat, omdat die juist uitgaat van een persoonsgerichte aanpak. Volgens Peterman raakte de gemeente met de Voetbalwet ‘verstrikt in allerlei regeltjes’. Ook in Tilburg voert men ander beleid dan de wet voorschrijft. De aanscherping mist dus het draagvlak om in heel Nederland toegepast te worden.

Het grootste vraagstuk in het gebruik van de wetgeving rondom first offenders is echter niet of een waarschuwing nou wel of niet gepast is. Men kan zich eerder afvragen in hoeverre een gemeente hier op het gebied van voetbal iets aan heeft. Een incident binnen het stadion dient door de club of de KNVB gesanctioneerd te worden. Bij de meeste stadionverboden wordt de gemeente dus helemaal niet betrokken; zij komt pas in beeld als er (ook) een gebiedsgebod nodig is. Door een andere aanscherping in de Voetbalwet is dat mogelijk bij incidenten binnen het stadion, maar in de praktijk blijken gemeenten de behoefte om dubbel te sanctioneren niet snel te voelen. De problematiek rondom bijvoorbeeld vuurwerk is dus veelal voer voor de clubs en de KNVB.

Met de meeste first offenders van delicten in het voetbalstadion heeft de gemeente dus weinig te maken. Dat wil niet zeggen dat dit gedeelte van de wet mislukt is. Sterker nog: dit is mogelijk de effectiefste aanscherping binnen de veranderingen in 2015. Alleen niet in het voetbalstadion. De wet geeft burgemeesters de mogelijkheid makkelijker gebiedsgeboden binnen heel de stad op te leggen, ook in bijvoorbeeld het uitgaans- of horecagebied. Alle gesproken betrokkenen benadrukken het nut van de wet op dit gebied met klem.

3.2 Tevens-namensregeling

Bij de oorspronkelijke Voetbalwet liepen burgemeesters tegen de nadelen van hun eigen gemeentegrenzen aan. Het opleggen van stadionverboden aan relschoppers was mogelijk, maar als een Ajacied zich misdroeg in de uitwedstrijd tegen FC Utrecht, stonden de burgemeesters voor een probleem. Welke gemeente moet hem straffen?

In de aanscherping van de Voetbalwet werd daarom de Beleidsregel aanpak overlast opgenomen, in de volksmond ook de tevens-namensregeling genoemd. Deze regeling maakt het mogelijk dat de burgemeester van één gemeente een andere burgemeester vraagt een maatregel op te leggen. De burgemeester heeft geen gezag over inwoners van andere gemeenten, maar kan hun burgemeesters wel vragen om ze te straffen. Zo legt de burgervader een maatregel tevens namens zijn collega op.

In Groningen is men groot voorstander van de regeling. Urban: “De gezamenlijkheid die er nu inzit, om namens een andere burgemeester een beslissing te nemen, dat vind ik heel goed. Je kan meer dan alleen een gebiedsverbod kan opleggen: de persoon moet zich melden in de plaats waar hij vandaan komt. Dat maakt de regel wel effectief.”

Toch ziet het ministerie voor Justitie en Veiligheid moeilijkheden in de regeling. Taetske van der Reijt is senior beleidsmedewerker integrale veiligheid bij het ministerie, en ziet dat burgemeesters nog wel eens koppig zijn. “Ze moeten toch wel mee willen werken. Er zijn gewoon burgemeesters in grote steden die zeggen: ‘Daar begin ik niet aan.’” Hoewel er voor de aanscherping juristen geraadpleegd zijn om de wet zo waterdicht mogelijk te maken, levert het eigen gezag van burgemeesters dus toch soms problemen op. Peterman heeft meer begrip voor dit fenomeen. Hij vindt het een onhaalbaar idee om als burgemeester van de ene stad op de stoel van een andere burgemeester te gaan zitten, zoals hij het zelf verwoordt. “Dat gaat nooit gebeuren.”

Een groter probleem dan de starheid van burgemeesters, is de enorme dossierlast die er komt kijken bij het opleggen van een bevel via een andere burgemeester. Urban legt uit hoe veel moeite het kost om een stadion- of gebiedsverbod op te leggen, zelfs al is de communicatie met de andere burgemeester op orde. “Er wordt heel makkelijk gezegd: leg op basis van de Voetbalwet even een maatregel op. Er zit wel een heel besluitencircus aan vast dat heel veel tijd kost.” Dat besluitencircus bestaat volgens Urban uit het naleven van vastgelegde procedures die enkele dagen kunnen duren, en dan kan iemand nog bezwaar aantekenen. Urban: “Als je al die tijd bij elkaar optelt, was ik drie volle werkdagen kwijt om 12 man zo’n gebiedsgebod op te leggen. Het is niet even een knip in de vinger van: we leggen even een maatregel op.”

Het ministerie van Justitie en Veiligheid en de gemeente Tilburg sluiten zich aan bij de visie van Urban. De gemeente Tilburg heeft in 2017 haar eigen beleid aangescherpt om de dossierlast voor de politie te verminderen. Veiligheidsadviseur Bart Gossen geeft aan dat deze hoge eisen aan het opstellen van dossiers als gevolg had dat de gemeente ‘soms het deksel op de neus kreeg bij de bestuursrechter’. Weitering erkent ook dat het verzamelen van gegevens lastig is: hij noemt het ‘het meest gehoorde pijnpunt’ als er in het land gevraagd wordt naar de effectiviteit van de Voetbalwet.

Al met al doet de tevens-namensregeling wel waar hij voor bedacht is: het mogelijk maken van het opleggen van straffen aan inwoners van andere gemeenten. Daarvoor moet echter wel veel tijd uitgetrokken worden – tijd die toch al schaars is.

3.3 Digitale meldplicht

“Optimistisch”, zo omschreef de KNVB de gemoedstoestand binnen de bond na afloop van een pilot met digitale meldplicht, vooruitlopend op de aanscherping van de voetbalwet in 2015. De KNVB droeg een positieve boodschap uit, die uiteindelijk niet meer bleek te zijn dan praten tegen een muur. Hoe goed de pilot ook uitpakte, cijfers van het CIV wijzen uit dat de digitale meldplicht na de pilot niet meer is gebruikt.

Traditionele meldplicht houdt in dat iemand die een gebiedsverbod heeft, zich op gezette tijden – bijvoorbeeld in de rust van een wedstrijd – moet melden bij een afgesproken politiebureau. Zo kan iemand met een stadionverbod niet stiekem toch naar een wedstrijd gaan. Op zich een foolproof systeem, ware het niet dat het een immense beperking oplevert voor degene die zich moet melden. “Als je een stadionverbod hebt mag je van mij best je familie in Groningen bezoeken tijdens de wedstrijd. Het is toch niet meer van deze tijd dat je naar een bureautje in Utrecht moet om te zeggen dat je niet bij de wedstrijd bent”, verwoordt Wiersma het treffend.

Digitale meldplicht zou een oplossing voor dit probleem kunnen zijn. De melder moet zich dan online melden via GPS of IP-adres en vingerafdruk of irisscan. Dan wordt geregistreerd waar hij is zonder zich fysiek te hoeven melden. Dit scheelt ook in manuren die de politie moet inzetten, want, zo zegt Wiersma: “We begrijpen dat er niet voor ieder stadionverbod een diender klaar kan zitten.” Het lijkt dus een verbetering ten opzichte van het traditionele systeem. Toch is de digitale meldplicht na de pilot van de KNVB een stille dood gestorven – en niet geheel onverklaarbaar. Zowel de KNVB als het ministerie en de veiligheidsadviseurs zijn duidelijk over de reden.

Urban: “We passen de meldplicht eigenlijk te weinig toe, maar een paar keer per seizoen. Als we deze maatregel vaker gaan gebruiken heeft het zeker een voordeel dat digitaal te doen, alleen moet je daar de mogelijkheden voor inkopen.” Dat inkopen van mogelijkheden is het grootste knelpunt. Vergeleken met het aantal keren dat de meldplicht wordt opgelegd kost het aanleggen van benodigdheden veel te veel geld.

Merkwaardig is het wel, dat de meldplicht zo weinig wordt opgelegd. De controlesystemen bij stadions zijn allesbehalve waterdicht, en volgens De Telegraaf schatten politieagenten dat zeventig procent van de mensen met een stadionverbod gewoon ‘wekelijks bij hun club op de tribune zit’. Onze bronnen geloven echter unaniem niet in deze statistiek, en vinden het een uit de lucht gegrepen of gechargeerd aantal.

De KNVB en de veiligheidsadviseurs vinden het bereiken van gedragsverandering het belangrijkste doel. Daarvoor hoeft volgens hen geen digitale meldplicht ingevoerd te worden. Het uitreiken van een gebiedsverbod door politieagenten is al een confrontatiemoment met de dader, en de maatregel zelf kan ook gedragsverandering als gevolg hebben. Verder ziet de gemeente Almelo vooral heil in meldplicht voor uitsupporters. Supporters zijn, weet Peterman uit ervaring, al doodsbang dat ze per ongeluk hun gebiedsverbod voor de binnenstad van Almelo overtreden. “Als je naar de Jamin gaat om een snoepje te kopen, bega je al een misdrijf.” Digitaal of niet, de meldplicht is volgens Peterman een uiterste maatregel die vooral aan supporters opgelegd moet worden om het afreizen naar andere gemeenten te voorkomen.

Van Dekken is voorzichtig positief voor de toekomst. “Het is nog steeds work in progress. Je ziet dat het steeds makkelijker wordt uitwedstrijden te bezoeken. In de vorige situatie was dat niet gelukt. Dat is dus een voordeel van die wet geweest”, wijst hij op wat hij ‘normalisatie’ noemt. Door het oppoetsen van meldplicht in de aanscherping van 2015 is het bezoeken van een uitwedstrijd nu eenvoudiger geworden, oordeelt hij.

Zo is dus niet alleen de KNVB “optimistisch” over de digitale meldplicht, ook initiatiefnemer Van Dekken ziet nog steeds licht aan het einde van de tunnel. Dat is er voornamelijk als er meer tijd, meer geld en meer opleggingen van de meldplicht zijn. De afgelopen jaren hebben echter uitgewezen dat van alle drie die factoren er momenteel veel te weinig is om digitale meldplicht uit te rollen.

3.4 Intergemeentelijke meldplicht

Hoezeer het idealiter geen onderwerp mag zijn, de mate van dossierwerk is een terugkerend element in de behandeling van de Voetbalwet. Urban had het in de paragraaf over de tevens-namensregeling over drie volledige werkdagen, om twaalf Heerenveen-supporters een meldplicht op te leggen. Het schrijnende hiervan is dat een maatregel uit de Voetbalwet expliciet overuren voor de burgemeester tegen dient te gaan: de intergemeentelijke meldplicht.

De inhoud van deze aanscherping is vrij simpel. Stel: een PSV-supporter misdraagt zich op bezoek bij Ajax. Het jaar erop wil de burgemeester van Amsterdam niet hebben dat die man opnieuw naar zijn stad afreist. Voor 2015 moest hij daarvoor een overeenkomst sluiten met de burgemeester van Eindhoven. Iets wat logischerwijs redelijk afschrikt, omdat een burgemeester en zijn adviseurs het al druk genoeg hebben met hun werkzaamheden. Na de aanscherping is een tijdige melding van de burgemeester van Amsterdam aan zijn Brabantse collega genoeg. De gemeente Eindhoven heeft formeel geen inspraak meer en dient er gewoon voor te zorgen dat de raddraaier van het jaar ervoor de wedstrijd vanuit het zuiden volgt. De aangewezen manier hiervoor is uiteraard de meldplicht.

Urban heeft in Groningen rond de derby met Heerenveen met de meldplicht en de tevens-namensregeling gewerkt, en dus ook met de intergemeentelijke meldplicht. “Ik merk dat het contact met dit soort dingen iets makkelijker gaat. We kunnen elkaar nu beter helpen en daar gaat een bepaalde kracht van uit.”

Toch valt ook hier een kanttekening te maken. Het contact tussen de gemeente Groningen en Heerenveen is bijvoorbeeld uitstekend; door de jaren heen hebben de gemeenten intensief met elkaar gewerkt door de rivaliteit tussen hun voetbalclubs. Dat lijntje is korter dan het lijntje tussen Groningen en pak ‘m beet Kerkrade. “De burgemeesters kennen elkaar niet altijd even goed. Met de veiligheidsadviseur van de gemeente Heerenveen heb ik regelmatig contact. Dan kan je elkaar iets makkelijker vinden. De bereidheid om elkaar te helpen is ook groter. Er gaat namelijk heel wat tijd in steken.”

Als gemeente A gemeente B vraagt – informeel is de intergemeentelijke meldplicht natuurlijk geen dictatoriaal besluit – om een meldplicht in te stellen voor supporters, dient de veiligheidsadviseur van gemeente B weer de politie gedetailleerd in te lichten. Die moeten vervolgens op de wedstrijddag weer rekening houden met de gesanctioneerde mensen. Oftewel, zelfs nu blijkt het nog best een flink klusje. En zoals bij elk klusje: een vriend help je net iets liever uit de brand dan de onbekende overbuurman waar je misschien drie woorden mee gesproken hebt. Peterman ziet niet voor niets dat sommige gemeenten een spreekwoordelijke ‘dikke vinger’ naar hem opsteken.

Overigens doet de KNVB inspanningen om de betrokkenen op dit gebied dichter bij elkaar te brengen. De bond organiseert regelmatig netwerkdagen en bijeenkomsten. In april is er bijvoorbeeld een congres over de aanpak van vuurwerkincidenten.

4. Wat is de toekomst van de voetbalwet?

In het huidige gebruik van de Voetbalwet komen twee terugkerende problemen naar voren: gebrek aan tijd en gebrek aan geld. Lokale overheden hebben vaak niet de gaten in het rooster om de hoeveelheid dossierwerk rond de maatregelen aan te pakken en mee te doen aan het ‘besluitencircus’, zoals Urban dat krachtig verwoordde. Dat zou opgelost kunnen worden met meer mankracht, maar dat kost weer geld en gemeenten voelen er over het algemeen weinig voor nóg meer geld voor voetbalveiligheid te gebruiken. Daardoor komen ook systemen als de digitale meldplicht moeilijk op gang en kiest men ervoor een beleid uit te stippelen waarbij de Voetbalwet weinig meer dan een leuke optionele handeling is, voor het geval het heel erg fout gaat. “Persoonlijk had ik me er misschien iets meer bij voorgesteld, dat hij vaker ingezet zou worden”, zegt Weitering logischerwijs. Met opnieuw de nuancering: buiten het voetbal, in bijvoorbeeld de aanpak van relschoppers in het horecagebied, kent de wet wel een cruciale functie.

Zijn er opties de drempel voor het gebruik van de Wet te verlagen? Een verlaging in de dossierlast zou in veel gevallen in strijd gaan met de Nederlandse jurisprudentie. Urban wijst bijvoorbeeld op de tijd die in het horen van mensen gaat zitten. Het zou voor het gebruik zeker fijn zijn dat niet meer te hoeven, maar of het wettelijk verantwoord is? Je ontneemt namelijk mensen de kans om hun verhaal te laten doen, een bouwsteen van de Nederlandse rechtsgang.

En in de discussie over de centjes wordt men vooral geteisterd door wisselende belangen. Politici uit de Tweede Kamer hebben de wet bedacht, maar ondertussen is expliciet in de wet opgenomen dat het ‘geen grote additionele financiële gevolgen voor gemeenten genereert’. Gemeenten willen op zich wel investeren, maar kunnen het simpelweg niet veroorloven alles in voetbalveiligheid te steken. Clubs zijn als organisator van een evenement verantwoordelijk voor wat er binnen de stadionhekken gebeurd, maar steken natuurlijk liever het geld in een goede linksbuiten. Iedereen is een beetje verantwoordelijk voor de uitvoering van de Voetbalwet, maar niemand kan of wil de voortrekkersrol in deze verantwoordelijkheid nemen. Kortom: er lijkt niet snel een oplossing voor de financiële impasse te komen.

Wiersma vindt dan ook dat de huidige Voetbalwet geen aansluiting biedt op de zaken waarmee de KNVB op dit moment bezig is. “Hij is dus niet overbodig, maar zo langzamerhand wel een beetje outdated. De wet is gemaakt aan het eind van de repressieve periode. Nu gaan we weer meer naar toegankelijkheid toe. Daar hebben we andere wetgeving voor nodig, bijvoorbeeld een wet die ons ondersteuning biedt als iemand in hoger beroep gaat.”

Juist dat inspireerde ons tot de allesomvattende vraag richting het ministerie rondom de toekomst van de Voetbalwet: is er een nieuwe versie op poten? Een versie waarin de nieuwe kritiekpunten van de gemeenten opgenomen kunnen worden? “Nee. We hebben geen geluiden van burgemeesters dat ze vinden dat die wet niet deugt. Ze vinden hem alleen soms wat omslachtig of tijdrovend”, aldus Weitering.

De KNVB en het ministerie zien het niet gebeuren dat de wet zijn ooit grote belofte gaat inlossen. Drie jaar na de invoering wacht hij, enkele uitzonderingen daargelaten, nog steeds op het eerste fluitsignaal van de scheidsrechter. Aan het trappelen om te beginnen. Maar of de échte aftrap van de Voetbalwet nog gaat plaatsvinden? In de huidige vorm lijkt het antwoord daarop duidelijk: nee.