De mensheid is rijker dan ooit. Nog nooit in de geschiedenis had zo’n groot deel van de bevolking zo veel middelen tot zijn beschikking. Een 18e-eeuwse Nederlander die een blik op zijn land in 2018 zou mogen werpen, zou zich lam schrikken van de overvloed aan eten, kleding en technologie voor zijn ogen. En toch lijkt die welvaart niet de sleutel tot geluk: jongeren kampen meer met onzekerheid en depressie dan de generaties voor hen. Anders dan economen begin deze eeuw nog voorspelden zijn we, tot onze eigen onvrede, alleen maar méér gaan werken. De kloof tussen arm en rijk blijft toenemen en de middenklasse brokkelt af. De onzekerheid in de omgeving is voelbaar: jongeren proberen zich voor te bereiden op een toekomst die ze, ondanks dat ze het beter hebben dan ooit, ontelbaar meer onzekerheden dan garanties lijkt te bieden. Steeds meer historici, politici en economen pleiten dan ook voor een initiatief dat de bedoeling heeft een deel van deze onzekerheden weg te nemen: het basisinkomen.

Het basisinkomen in zijn simpelste vorm is een gegarandeerd inkomen dat iedere volwassen burger ontvangt. Het basisinkomen is universeel, individueel, onvoorwaardelijk, en zou moeten voorzien in de basisbehoeften van elk persoon. In het beste geval is het basisinkomen een effectief middel tegen armoede en ongelijkheid, en vermindert het de werkdruk en financiële stress van burgers, met alle mentale voordelen van dien. In het slechtste geval is het een volstrekt onbetaalbare maatregel die veel banen kost en armoede juist verder in de hand werkt. Dit artikel gaat verder in op de toekomst van het basisinkomen en verkent de economische, politieke en culturele obstakels die de maatregel in de weg staan.

Max en Vincent | Onderzoeksredactie

Geld en gevolgen: de effecten van het ‘weggeven van geld’

Het is vreemd om een artikel aan het basisinkomen te wijden zonder daarin te beginnen over een van zijn belangrijkste pleiters, historicus Rutger Bregman. In zijn boek Gratis geld voor iedereen beschrijft hij de geschiedenis van armoedebestrijding en de toenemende werkdruk, en gaat hij in op wat volgens hem de belangrijkste voordelen van een basisinkomen zijn. Een van de meest sprekende voorbeelden in zijn boek gaat in op een initiatief van Londense hulporganisatie Broadway: dertien daklozen, die de overheid jaarlijks 400.000 pond aan zorg, politie en justitie kosten, ontvangen zonder voorwaarden ieder 3000 pond. Anderhalf jaar na de start van het experiment waren 9 van de 13 voormalige zwervers niet langer dakloos. De totale kosten van het experiment bedroegen 50.000. Het weggeven van geld was dus een besparing, en naar aanleiding van het experiment concludeerde The Economist: “De efficiëntste manier om geld te besteden is het ze gewoon te geven.” Andere voorbeelden zijn onder andere de onvoorwaardelijke winstuitkering van een Cherokeecasino aan arme leden van de Cherokeestam, zo’n 6000 dollar per gezin. Opvallendste gevolg daarvan: het aantal arbeidsuren steeg met 12,5%. Een verweer tegen het argument dat ‘gratis geld’ ervoor zou zorgen dat mensen minder gaan werken.

Voorgaande initiatieven die lijken op een basisinkomen zijn allemaal uitgevoerd op kleine schaal. Mincome, een experiment in de Canadese provincie Manitoba, uitgevoerd door de regionale en centrale overheden, geeft een beter beeld van het basisinkomen ‘in het groot’. Deelnemers ontvingen zonder tegenprestatie een minimuminkomen, dat lager werd naarmate de deelnemers zelf meer verdiende. Het experiment werd uitgevoerd vanaf 1974, en stopgezet in 1979, toen er niet geheel toevallig een conservatie regering aan de macht kwam. In de jaren daarna is het experiment in de vergetelheid geraakt, totdat econoom Evelyn Forget van de universiteit van Manitoba in 2011 besloot onderzoek te doen naar de resultaten. Haar belangrijkste bevinding: ziekenhuisbezoeken namen met 8,5% af. Dat sterkt Forget in het idee dat het systeem van basisinkomen zelfvoorzienend kan zijn. Niet alleen vanwege de besparing op zorgkosten, maar ook omdat een systeem zonder tegenprestaties leidt tot een minder gecompliceerd bureaucratisch systeem. Positieve resultaten dus. Het is echter belangrijk om te noemen dat een direct verband tussen het ontvangen van een gegarandeerd inkomen en een betere gezondheid nooit is bewezen.

De eerste serieuze doorrekening van een plan voor een basisinkomen ‘bij ons in de buurt’ geeft meteen een minder rooskleurig beeld. Onderzoekers van de Universiteit van Antwerpen onderzochten de gevolgen van een universeel basisinkomen dat per burger 702 euro per maand bedroeg. De resultaten liegen er niet om: zelfs na besparing op overige uitkeringen zou het plan de overheid om en nabij de 44 miljard euro kosten.  De extra belastingdruk die zo’n investering zou opleveren, zou economische groei volgens de onderzoekers zo in de weg staan dat ruim 75% van de Nederlanders er op achteruitgaat. Een van de gevolgen daarvan, zo kopt het NRC in ieder geval: méér armoede. De studie was reden voor vaandeldrager van het basisinkomen Rutger Bregman reden om in te binden: misschien is het op korte termijn toch niet zo’n goed idee om iederéén een basisinkomen te geven. Dat wil zeggen, de rijken ontvangen niets. Zo’n variant kan uitgevoerd worden door gebruik te maken van negatieve inkomstenbelasting: “verdien je niet genoeg om boven de armoedegrens uit te komen? Dan maak je geen geld over naar de Belastingdienst, maar maakt de Belastingdienst geld over naar jou”, aldus Bregman in De Correspondent. Hij blijft ervan overtuigd dat het ‘uitroeien van armoede’ de overheid op de lange termijn alleen maar geld bespaart.

De politiek en het basisinkomen

Of de cijfers nu in het voordeel spreken van de initiatieven of niet; zonder politiek draagvlak zal het basisinkomen nooit gerealiseerd worden. Op de vraag of partijen in Nederland voor uitvoering van een basisinkomen zijn, kan op dit moment simpelweg ‘nee’ worden geantwoord. Zelfs een motie van de Vrijzinnige Partij (op dit moment niet meer vertegenwoordigd in de Tweede Kamer) over onderzoek naar het basisinkomen werd alleen gesteund door GroenLinks en Partij voor de Dieren, en dus verworpen. Ex-Kamerlid Paul Ulenbelt geeft aan dat de SP, de linkse partij die normaal gesproken niet vies is van grote overheidsuitgaven in het sociale domein, tegen een basisinkomen is. Belangrijkste argument daarvoor is dat het basisinkomen geld dat normaal bedoeld is voor ‘mensen die het nodig hebben’, uitsmeert over de gehele bevolking. De SP heeft alternatieven op het universele basisinkomen dus niet verkend. De Nederlandse bevolking lijkt welwillender tegenover het basisinkomen te staan dan de heersende politieke partijen. Uit een peiling van Maurice de Hond blijkt dat 40% van de Nederlanders voor een basisinkomen is. Politieke voorkeur heeft nogal wat invloed op die welwillendheid: zo is bijvoorbeeld 60% van de GroenLinksstemmers voor een basisinkomen, tegenover slechts 18% van de VVD-kiezers.

Dat er een draagvlak is voor het basisinkomen zorgt ervoor dat partijen op lokaal niveau wel durven te experimenteren. Nijmegen is een van de gemeentes die experimenteert met een ‘andere uitvoer van de bijstand’, zoals beleidsadviseur en leider van het experiment Janos Betko het initiatief typeert. De Participatiewet geeft gemeentes niet ongelimiteerd de ruimte om de bijstand naar eigen voorkeur uit te voeren. Betko geeft dan ook het volgende aan: “Ons initiatief is eigenlijk geen echt basisinkomen. Wel mogen we mensen in de bijstand verplichtingen afnemen en krijgen bijstandsontvangers meer ruimte om bij te verdienen. Daar komt het principe van het basisinkomen in terug.”  Naast gevolgen op ‘werk en inkomen’ worden in Nijmegen voor het eerst ook effecten op bijvoorbeeld gezondheid en welzijn gemonitord. Het experiment staat nog in de kinderschoenen, aldus Betko: “Het experiment is nog in volle gang. Nu al uitspraken doen over de resultaten zou het experiment alleen maar verstoren.” Op dit moment is Betko er dan ook nog niet overtuigd dat het basisinkomen werkt: “Ik ben geen harde voorstander. Ik vind dat er nog heel weinig fatsoenlijk onderzoek is gedaan naar het onderwerp. Ons experiment is heel kleinschalig en kost al veel tijd en geld, landelijk zouden de gevolgen nog vele malen groter zijn.” Wel hoopt hij dat er meer ruimte gegeven voor experimenten, en de beleidsadviseur vindt dat het Rijk daarin zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Hij is niet direct hoopvol dat dat ook gaat gebeuren: “Landelijk zie ik het zelfs op de middellange termijn niet gebeuren. Ik twijfel aan het basisinkomen als hét vehikel voor armoedebestrijding.” In Terneuzen werd een experiment met het basisinkomen door het ministerie van Sociale Zaken verboden. Terneuzen was namelijk de enige gemeente die van plan was een inkomen geheel onvoorwaardelijk uit te keren. Dat ging het Rijk te ver, en staat een uitvoer van het experiment dat ten minste aan het basisinkomen raakt in de weg.

Grote dromen en grote twijfels: de weg naar een cultuuromslag

De meeste voorstanders van het basisinkomen zijn idealisten met de overtuiging dat de politieke en economische obstakels wel te overkomen zijn. Voordat dat mogelijk is staan zij voor een grotere uitdaging: onze cultuur moet veranderen. Dat wil zeggen, de manier waarop wij naar begrippen als welvaart en rijkdom kijken moet ‘herijkt’ worden. Dat zegt ook profileringshoogleraar Teun Dekker van de Universiteit van Maastricht: “We zijn toe aan een cultuuromslag. We drukken onze welvaart nog steeds alleen uit in euro’s. Meer aandacht voor het basisinkomen zou ervoor kunnen zorgen dat de bevolking zich meer bewust wordt van de gevolgen van bijvoorbeeld armoede op het mentale welzijn.” Het basisinkomen zou volgens Dekker meer dan onze blik op welvaart kunnen veranderen. Een basisinkomen stelt een deel van de bevolking immers in staat minder uren te werken. Dekker: “Het basisinkomen druist eigenlijk in tegen het calvinistische idee dat hard werken een essentieel deel van het leven is. Wat is er eigenlijk mis met minder werken en meer vrije tijd?”

Die omslag wordt in de eerste plaats bewerkstelligd door er veel over te praten. In de hoop dat de landelijke politiek het vervolgens massaal oppikt, aldus Dekker: “Ik zie niet zoveel heil in lokale initiatieven. Dat leidt tot onwenselijke verschuivingen tussen gemeentes en geeft geen eerlijk beeld. Het is belangrijker dat bekende landelijke politici het idee onder de aandacht brengen.” ‘Erover praten’ dus. Het liefst zoveel mogelijk. Dat gebeurt ondertussen in steeds meer kringen. Op de Fontys Hogeschool voor Journalistiek debatteerden studenten over de stelling ‘het basisinkomen moet ingevoerd worden’. In een klas van ongeveer 30 jongeren is de verdeling aan het begin van het debat ongeveer fifty fifty. Daar zitten veel twijfelaars tussen. Na het presenteren van de argumenten en het wegnemen van enkele misvattingen is de verdeling ongeveer 70/30, in het voordeel van het basisinkomen. Een van die misvattingen is bijvoorbeeld: het basisinkomen komt de rijken net zo ten goede als de armen. Veruit de meeste voorstanders van het basisinkomen pleiten voor een variant die vooral de ‘zwakkeren’ helpt. Veel voorstanders in het debat benadrukken vooral de ongekende welvaart waarin ‘westerlingen’ in de moderne tijd leven. Studenten vinden het vreemd of zelfs absurd dat ook in Nederland nog ruim 8% van de Nederlandse huishoudens in armoede leeft. Een percentage dat stijgt. Het debat zorgt voor een welkom discours over welvaart in ons land en draagt ongetwijfeld bij aan de bewustwording over armoede. Het basisinkomen is volgens een groot deel van de studenten dus een valide middel in de bestrijding van armoede. Meer bewustwording is wel van belang: uit een enquête waar vooral jongeren op reageren blijkt dat ruim 80% niet goed op de hoogte is van wat het basisinkomen inhoudt.
De Correspondent en Rutger Bregman hebben een belangrijke rol in die bewustwording. Dat blijkt ook voor hen lastig omdat concreet onderzoek naar en ervaringen met het basisinkomen schaars zijn. Bregman is zich bewust van de ‘grootsheid’ van zijn plannen, de Engelse vertaling van zijn boek Gratis geld voor iedereen heet niet voor niets Utopia for realists. Desondanks verwoordt hij zijn optimisme in zijn boek haast romantisch: “Het begint, zoals altijd, in het klein. De fundamenten van wat we nu beschaving noemen, zijn ook ooit begonnen in de hoofden van wereldvreemde dromers.” Een duidelijke aansporing om groots te blijven dromen over een op dit moment misschien wel onuitvoerbaar plan.
Juist die grootse presentatie komt hem ook op kritiek te staan. Thomas Muntz van Investico, die samen met Jeroen Trommelen het essay Weg met de impact! schreef, over de (kwalijke) drang om impact te hebben in de onderzoeksjournalistiek, is een van de journalisten die kritiek levert. (Al is deze niet expliciet gericht op Bregman). Tijdens het KIM-debat over activistische journalistiek verwoordt Muntz de kritiek als volgt: “Als je ziet hoe door veel journalisten het basisinkomen steeds maar weer wordt geframed, levert dat niet veel constructiefs op. Het versterkt een scherpe tweedeling tussen voor- en tegenstanders: de filterbubbel van voorstanders wordt alsmaar versterkt, zij zien alleen maar het eigen gelijk en worden blind voor kritiek. Tegenstanders nemen het plan niet meer serieus omdat het pretendeert een oplossing voor alles te zijn.” Muntz spoort journalisten in wezen aan om minder kleur te bekennen, ten goede van een ‘meer eerlijke’ bewustwording over in dit geval het basisinkomen. In Trouw wordt deze kritiek ondersteund door filosoof en econoom Ingrid Robeyns. In de Tegenlicht-uitzending waarin Bregman zijn basisinkomen bepleit, ‘voert niet onderbouwing de boventoon, maar retoriek’, aldus Robeyns.
           

Max en Vincent | Onderzoeksredactie

Hoe nu verder?

Het is duidelijk dat de toekomst van het basisinkomen ongewis is. Of het komt door de radicaliteit van het plan, de nieuwigheid, de presentatie, het gebrek aan kennis of simpelweg de onduidelijke inhoud van de uitvoer blijft onderwerp van discussie. Het is ongetwijfeld een combinatie van deze factoren. De onzekerheid blijft, net als de hoop. De populariteit van het basisinkomen zit in ieder geval in de lift. Dat blijkt onder andere uit een artikel van Trouw waarin vicevoorzitter Kitty Jong van vakbond FNV en hoogleraar Paul de Beer geïnterviewd worden. De grootste vakbond van Nederland laat onderzoek doen naar het basisinkomen, en in het artikel verwoorden Jong en De Beer de hoop en de onzekerheid: “Het basisinkomen zou volgens hen iets kunnen betekenen in de groeiende afstand tussen arm en rijk. Maar wat precies? Dat moet de komende jaren blijken.” De eerder genoemde filosoof en econoom Robeyns deelt deze twijfels: “Al jaren vraag ik me af of ik nu voor- of tegenstander van het basisinkomen moet zijn. Ik geef het eerlijk toe: ik ben er niet uit. Maar ik weet wel dat ik met een vraag wil beginnen: wat willen we ermee bereiken?”

Dat zal de komende jaren ingevuld moeten worden. De kracht van het idee van een basisinkomen is dat het ons de vrijheid geeft om te dromen over een betere samenleving, een mooiere samenleving. Dat deze samenleving slechts een vage stip ver aan de horizon is, is daarvoor niet van belang. Idealisme dient niet ingedamd te worden, zeker niet onder de jongere generaties. Groot dromen zou aangespoord moeten worden, al zij het soms onder voorbehoud. Of zoals Bregman het verwoordt: “Het is tijd voor de terugkeer van de utopie.”