Onderzoek

Dan maar leren van een scherm?

Digitale middelen spelen een steeds grotere rol in ons dagelijks leven. Ook in het onderwijs is deze verandering gaande. Met de snelle opkomst van smartphones, tablets en laptops, zien een toenemend aantal scholen en organisaties een toekomst in digitaal onderwijs. De onderwijsraad en PO-raad bevelen digitale leermiddelen zelfs aan. Toch is het voor veel van de basisscholen die ICT gebruiken in de lessen niet duidelijk welke effecten ICT heeft op de ontwikkeling van het kind.

Bijna overal worden tegenwoordig digitale middelen gebruikt. We communiceren, betalen, organiseren en archiveren met onze telefoons, computers en tablets. Zo ook kunnen we deze apparaten gebruiken om te leren. Daarom maken steeds meer basisscholen hier gebruik van. Oefenen met spelling, historische feitjes leren of tafelsommen stampen, allemaal activiteiten die nu ook kunnen worden gedaan op een tablet. Verschillende uitgeverijen zijn daarom aan de slag gegaan met het omzetten van papieren lesmethodes in digitale versies. Je zou denken dat dit dan in het voordeel is van de leerling, maar dat blijft de vraag, blijkt uit meerdere rapporten en onderzoeken. In het onderwijs is de ontwikkeling van het kind de eerste prioriteit en, ook al lijkt digitalisering vanuit alle hoeken de wind mee te krijgen, is het maar de vraag of daar al die technische snufjes zo goed voor zijn.

Pixels of inkt

Digitale prentenboeken, informatieve teksten over Napoleon Bonaparte of de uitleg bij rekenen, lezen is bij veel vakken een must. Nu met de opkomst van al die digitale leermiddelen, is het ook nodig om te bepalen, waarmee gelezen moet worden. Dat is dan ook een van de zorgen die vaak het eerst wordt uitgesproken in de discussie over digitalisering van het onderwijs. Logisch, maar uiteindelijk misschien onnodige bezorgdheid.

Niet iedereen geeft de voorkeur aan lezen van papier, toch blijkt uit onderzoek dat het lezen vanaf papier makkelijker wegleest en efficiënter is dan lezen van een scherm. Het is tevens minder vermoeiend voor de hersenen. Toch, als we het hebben over tekstbegrip, scoren de twee middelen hetzelfde en kan dus alleen tijd worden gewonnen met het lezen van papier. Wel zijn er uitzonderingen als we de bevindingen uit onderwijsland moeten geloven. Zo zijn digitale prentenboeken, volgens strategisch adviseur onderzoek bij Kennisnet Alfons ten Brummelhuis, zelfs beter voor het tekstbegrip en de woordenschat van kleuters vergeleken met het klassikale voorlezen van een docent.

Veel bovenbouwklassen, die ICT gebruiken in de lessen, hebben daarnaast steeds vaker toegang tot het internet. Al die informatie die voor het oprapen ligt, biedt leerlingen de kans om zelf research te doen, maar niet zonder gevaar. In de jungle van snelle, oppervlakkige teksten, zijn leerlingen eerder afgeleid. Dat komt onder andere door het scrollen, swipen en klikken, dat online gebeurt. Leerlingen zullen teksten op deze manier eerder skimmen en scannen. Andere oorzaken hiervoor zijn de enorme hoeveelheid informatie die online te vinden is en de vele prikkels in de vorm van video’s, afbeeldingen en linkjes. Kinderen zijn zo vooral bezig met het verstrooid sprokkelen van informatie in plaats van grondig de teksten te lezen. Terwijl dit grondig lezen van langere teksten op papier, zoals in boeken, de eigen reflectie, ideeën, associaties en metaforen stimuleert en begeleidt, zoals neurowetenschapper Theo Compernolle zegt in zijn boek ‘Ontketen je brein’. Waarschijnlijk schreef Kristin Ziemke, onderwijsdeskundige, daarom al eerder dat we leerlingen moeten ‘leren navigeren, inwerken met en denkstrategieën toepassen op online teksten’. Zo zullen we deze informatiebronnen beter leren benutten. Grondig lezen blijft daarnaast altijd belangrijk, want het is een activiteit waarbij we onze hersenen stimuleren informatie te verwerken en leren aandacht te houden.

Blijf ook schrijven

Bij schrijven is deze (aanhoudende) aandacht ook van belang. Denk maar eens aan het schrijven met een pen of potlood, zoals je in je schoolschriftjes deed. Dat is een langzaam, gecoördineerd, visueel en motorisch proces dat concentratie en aanhoudende aandacht vereist, zoals Compernolle uitlegt. Hierdoor wordt de informatie niet alleen vastgelegd, maar verwerk je het ook meteen in je hersenen. Daarnaast zorgt schrijven ervoor dat je beter patronen leert herkennen. Je kunt letters namelijk op verschillende manieren schrijven, zonder dat de betekenis ervan verandert. Dit is heel anders dan bij het typen van teksten, waarbij elke letter dezelfde handeling vereist.

Bij schrijven wordt sneller informatie onthouden. Dat komt volgens Compernolle omdat de visuele en motorische coördinatie in één lijn zijn met elkaar. Bij typen zijn deze twee van elkaar gescheiden: ogen vaak op het scherm en de motorische activiteit is gericht op het toetsenbord. Doordat deze twee taken gescheiden zijn, verlies je aan aandacht, waardoor je hersenen minder informatie zullen opnemen.

Niet alleen bij schrijven werkt dit zo. Ook bij rekenen is het voordelig voor de leerprestaties van leerlingen, als zij de getallen fysiek maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het tellen met je vingers. Dit is van groot belang, volgens hersenonderzoeker Manfred Spitzer, voor ons vermogen tot het manipuleren van getallen. Ook op latere leeftijd zullen de kinderen die rekenen met hun vingers beter scoren op het gebied van rekenen en wiskunde.

Zolang je ervan leert

We onthouden dus informatie als we meerdere hersendelen activeren, maar er zijn meerdere manieren om beter te onthouden die belangrijk zijn bij het gebruik van digitale middelen. Zo is het volgens Compernolle belangrijk om je te focussen op één kanaal of eenzelfde context, omdat we nu eenmaal niet kunnen multitasken. Daarom, als een docent iets vertelt, zou de tekst of afbeelding op het (digi)bord overeen moeten komen met wat er verteld wordt. Als deze twee kanalen zich niet in dezelfde context bevinden, zijn we dus aan het switchen tussen twee kanalen, waarvoor een beroep wordt gedaan op verschillende vaardigheden. Hierdoor slaan we voor beide kanalen minder informatie op. Het is volgens Compernolle te vergelijken met een computer: als je meerdere programma’s opent, wordt de computer steeds trager, door het uitvoeren van deze verschillende processen. Je hersenen gaan bij het wisselen tussen meerdere processen ook slechter werken. Ontwikkelaars van digitale lesmethodes zouden hier dus rekening mee moeten houden. De twee grote Nederlandse uitgeverijen van educatieve software Malmberg en Zwijsen zeggen dit dan ook mee te nemen bij het ontwikkelen van de programma’s. In hun digitale lesmethodes krijgen leerlingen één vraag aangeboden, die ze moeten beantwoorden. Tussen de vragen door worden uitleg en afbeeldingen apart aangeboden. Zij zeggen daarnaast voor zo weinig mogelijk afleiding te zorgen in deze methodes, zodat de leerling zich alleen hoeft te focussen op de vraag of uitleg.

Er wordt dus aan veel gedacht bij het ontwikkelen van educatieve software, maar in plaats van volledig digitaal onderwijs moet het, volgens Ten Brummelhuis, een hulpmiddel blijven. Het gaat er bij het kiezen voor digitaal of papier om wat je kinderen wilt leren. Het stampen van feiten zou bijvoorbeeld makkelijker gaan met software, aldus Compernolle. Zo kunnen leerlingen tafelsommen, woordjes of andere feitjes beter leren met behulp van een tablet. De software is vaak geduldiger dan een docent, leuker om mee te werken dan een schrift en kan werken op het niveau van de leerling. Een belangrijk aspect dat digitaal lesmateriaal biedt is de zogenaamde procesfeedback. Hierbij krijgen leerlingen bij een goed antwoord een vinkje of een vrolijk geluidje, waardoor ze weten dat ze de vraag goed hebben beantwoord. Bij een fout antwoord, zal de software eerst aangeven dat het antwoord niet juist is, gevolgd door een hint of extra uitleg die de leerling verteld hoe het wel moet. Daarna krijgt de leerling dezelfde of een soortgelijke vraag om te kijken of hij/zij het nu wel snapt. Hierdoor wordt de stof op zo’n manier herhaald dat de leerling dit van het kortetermijngeheugen op zal gaan slaan in het langetermijngeheugen.

“De enige plek waar kennis en inzicht is opgeslagen is ten slotte ons langetermijngeheugen.”

De software is alleen (nog) niet voordelig voor het bevorderen van ‘het nadenken’, waardoor leerlingen informatie kunnen organiseren en ze verbanden leren leggen. Hier is dan ook een belangrijke rol weggelegd voor de docent. De docent kan leerlingen helpen bij het leggen van verbanden en leerlingen enthousiasmeren. Een voorbeeld dat Compernolle besprak in een interview is: de software kan je feitjes leren. Vervolgens sprak hij over het beroemde schilderij van Picasso ‘Guernica’, waarin de totale verwoesting van een dorpje door fascistisch dictator Franco is afgebeeld. “Als een leraar tien minuten over dit schilderij vertelt, vergeet je nooit meer wat Franco uitgevreten heeft”, legt Compernolle uit. ‘De leraar’, vervolgt hij, “kan daarna meteen vertellen dat de Spaanse koning eigenlijk Franco wilde opvolgen, maar werd verhinderd door revolutie voor democratie, en dat de Spaanse volkspartij, Partido Popular, van vandaag nog vol zit met oude fascistische Francisten. Geen enkele Google-search zal dit ooit kunnen zoals een enthousiaste leraar. Zo leren leerlingen tot slot ook verbanden te leggen tussen de informatie die ze tot zich nemen. “De enige plek waar kennis en inzicht is opgeslagen is ten slotte ons langetermijngeheugen”, aldus de neurowetenschapper.

Samenwerken, samen spelen

Zoals nu duidelijk zal zijn, kan educatieve software in het voordeel werken van de leerling en de docent. Toch zijn die digitale middelen niet alles. Zo zetten veel lesmethodes weinig tot niet in op samenwerkingsopdrachten, terwijl school juist een belangrijke socialisatiefunctie heeft, zoals ook de onderwijsraad benoemd in het artikel ‘Doordacht Digitaal’. De onderwijsraad is zijn in dit artikel ook bang dat het contact met medeleerlingen en de docent minder vanzelfsprekend wordt. Dit zou bij kunnen dragen aan de verdere ‘maatschappelijke fragmentatie’, maar dat is op dit moment alleen nog maar een mogelijk doemscenario. Toch moeten we sociale interactie niet verwaarlozen, want gesprekken zijn goed voor onder andere ons eigen reflectieproces, zoals Compernolle uitlegt in zijn boek. Daarnaast is spreken en socializen een vaardigheid die we bij moeten houden, als we verschillende artikelen en websites moeten geloven, want deze vaardigheid zou anders wel eens kunnen verwateren.

“Er liggen hele grote kansen, maar even grote gevaren.”

Laten we hopen op docenten die een goede balans kunnen vinden tussen werk en sociale interactie. Zoals Ten Brummelhuis in een interview zei over ICT in het onderwijs: “Er liggen hele grote kansen, maar even grote gevaren”. Het is daarom van belang om als school goed na te denken over de functie van de ICT-toepassing en wanneer deze het beste ingezet kan worden. Ten Brummelhuis vergelijkt ICT ten slotte dan ook met de medicijnen die een arts voorschrijft: “als arts wil je wel medicijnen inzetten, maar je wilt wel weten wat de werking is, wat de bijwerkingen zijn en voor wie hij wat moet inzetten. Die vergelijking geldt in toenemende mate voor ICT.” Zo hebben we volgens hem docenten nodig om deze gegevens te bekijken en afwegingen hierin te maken. Daarom blijft de docent van essentieel belang, maar is ICT alsnog een ‘krachtig hulpmiddel.’

“Als arts wil je wel medicijnen inzetten, maar je wilt wel weten wat de werking is, wat de bijwerkingen zijn en voor wie hij wat moet inzetten. Die vergelijking geldt in toenemende mate voor ICT.”

Dus, docenten, schoolbesturen, methodeontwikkelaars, onderwijsraden, ministerie van OCW en alle anderen die betrokkenen zijn bij ons huidige onderwijssysteem, wees voorzichtig. Wees je bewust van de gevaren, maar zie ook de mooie kansen die het biedt en benut deze. Niet alleen Kennisnet, nee, jullie laten met zijn allen ICT werken in het onderwijs.