Door: Jacco Rubenkamp en Max van de Pol

De Europese Unie wordt in Nederland amper vertrouwd. Onderzoek wijst uit dat slechts 33 procent van de ondervraagden een positief beeld heeft bij de EU. De opkomst bij Europese verkiezingen is schrikbarend laag. De helft van de Nederlanders vertrouwt het Europees parlement niet eens. Eveneens vindt acht op de tien mensen in Nederland de gehele organisatie onduidelijk. Waar komt dit imagoprobleem vandaan?

Zoals in de grafieken te zien is, zijn er weinig mensen die erg enthousiast zijn over de EU. Het is een schrijnende wond in de zij van de Europese Unie, die de supranationale organisatie wel eens fataal zou kunnen worden. Arnoud Heeres, program manager bij de Europese Commissie, zegt: “Zoals het plaatje [van de EU] nu verkocht wordt, zal het nooit werken.” Maar wat is dat plaatje dan, en waarom werkt het niet?

Om te beginnen moeten we kijken naar welk ‘plaatje’ er verkocht wordt en hoe deze aankomt bij het publiek. Wat de EU probeert te zijn voor het volk en hoe zij dit probeert te uiten is vrijwel hetzelfde gebleven sinds de geboorte van de ‘grootmoeder’ van de EU; de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Dat beeld dat de Unie probeert te kweken  is simpelweg ‘samen staan we er het sterkst voor, laten we dan ook samen sterk staan’. Toch denken Nederlanders bijna het omgekeerde van waar de EU voor wil staan. Een deel van de Nederlanders denken volgens Heeres eerder dat de EU voor bureaucratie en dictatorschap staat.

Dat idee komt niet nergens vandaan, het komt vanuit een gevoel van onwetendheid. De EU heeft heel lang op de achtergrond gespeeld, tot ongeveer de Euro in beeld kwam. Vroeger hadden we de EU natuurlijk niet. Deze speelde pas vanaf 1999 een echte grote rol op de voorgrond. Heeres zegt hierover: “De Euro vormde het ‘concreet’ bewustzijn van de Europese Unie. Je ziet het in je portemonnee.”

“ONBEKEND MAAKT ONBEMIND”

De rede dat het ‘plaatje’ van de EU niet werkt, is volgens Wytse Dijkstra, professional in trainingen over het menselijk gedrag, te linken aan bepaalde cognitieve standaardprincipes.  De Euro kwam voor velen opeens in de portemonnee. Die plotselinge verandering zorgde voor angst: “Wat gebeurt hier? Wat betekent dit voor mij?” Wanneer er dan wat fout gaat denkt men al snel: “Vroeger was alles beter! We moeten terug naar hoe het eerst was.” Dat nostalgische gevoel wordt dan de brandstof voor boosheid. Deze drie verschijnselen zijn volgens Dijkstra te bestrijden door ze per ‘symptoom’ aan te pakken:

De Europese Unie kampt met een probleem van onwetend van de Europese bevolking. Europarlementariër Annie Schreijer-Pierik legt uit: “Ik vrees dat veel Nederlanders te weinig informatie krijgen over welke besluiten het Europarlement neemt. Dat komt vooral omdat er amper Nederlandse journalisten in het Europarlement actief zijn, als je dat vergelijkt met de Tweede Kamer. Ik denk dat het vooral de media moeten zijn die actiever moeten worden. Onbekend maakt onbemind.”

Even kijken of dat wel klopt:

In 2016 zijn er 6.736 artikelen in totaal verschenen in alle landelijke kranten waar “Europese Unie” in wordt genoemd. Dat komt neer op gemiddeld 18 publicaties per dag.  Om dat in perspectief te plaatsen: in hetzelfde jaar zijn er 10.360 artikelen gepubliceerd met “Tweede Kamer” in de tekst. Dat zijn dus 10 artikelen meer per dag.

Zoals hierboven te zien is, zijn er bijna 4.000 artikelen meer verschenen met “Tweede Kamer” in de tekst. Volgens Schreijer-Pierik is dat deels te wijten aan Straatsburg: “Het zou voor de media veel makkelijker zijn als het Europarlement op één plaats zou vergaderen.”

Straatsburg

Zoals in de tijdlijn te zien was vergadert het Europarlement zowel in Brussel als in Straatsburg. Een keer per maand verlaten ze België voor Frankrijk. In die twaalf keer per jaar moeten alle documenten die van belang zijn meegenomen worden. Dat gebeurt in grote konvooien, die allemaal vol zitten met die belangrijke papieren. De digitalisering heeft al wel een deel van dit probleem opgelost, maar deze maandelijkse verhuisgrap is alsnog goed voor zo’n 200 miljoen euro per jaar. Volgens de Daily Mail hebben de Europarlementariërs de keuze om door een privéchauffeur gebracht te worden of in eerste klas met de trein te reizen.

Het Europees Parlement is fel tegen de verhuisgekte, maar kan er weinig tegen doen. Bij elk referendum over Straatsburg gebruikt Frankrijk haar vetorecht. Voor Frankrijk heeft Straatsburg een symbolische betekenis, het geeft haar status. De Fransen willen herkenning voor het feit dat zij de EU mede hebben opgericht.

Over het gedoe met Straatsburg heerst behoorlijk wat controverse, zeker als je het aan anti-EU partijen vraagt. Olaf Stuger, Europarlementariër namens de PVV, zegt zelfs: “Aftuigen en opbergen in de kast, die EU.” Arnoud Heeres vreest voor een ‘Nexit’: “In tegenstelling van het Verenigd Koninkrijk heeft Nederland de euro. Uit de EU stappen betekent de gulden terug.”

Dat klinkt als muziek in de oren van de PVV.  Maar helaas is de EU niet simpelweg ‘een boeman’ noch een redder van de wereld. Het is niet zwart-wit en volgens Arnoud Heeres komt dat omdat de Europese politiek erg complex en moeilijk uit valt te leggen. Hij voegt toe: “Omdat het zo complex is, durven journalisten zich er ook niet zomaar aan te wagen”

Toch is het niet eerlijk om te zeggen dat de schuld van het slechte imago van de Europese Unie volledig bij de media ligt, noch dat deze volledig bij haarzelf ligt. Dit komt door de complexiteit van het geheel. Alleen in de tijdlijn is al te zien hoeveel verschillende groeperingen er zijn geweest. Daar komt bij dat het voor de gemiddelde burger extra moeilijk is om een verbondenheid te voelen met de EU: “Mensen hebben geen EU-ambtenaren om zich heen, ze komen ze niet in de kroeg of sportclub tegen”, aldus Heeres. In Brussel zit dat volgens hem anders, hier komt de lokale bevolking wel Euroambtenaren tegen en vindt daardoor de Europese Unie transparanter, ze zien dat deze ambtenaren ook gewoon mensen zijn.

MODDERIGE MIDDEN

Een deel van de complexiteit waar Heeres het over heeft, zit in de Europolitiek. Er is sprake van een ‘modderig midden’ zoals professor Hendrik Vos van de Universiteit van Gent het noemt. De professor zegt dat de EU altijd en per definitie compromispolitiek is. Heeres beaamt dit. Er wordt volgens hen veel te snel naar de niet-zo-gulden middenweg gezocht, zonder dat er hard voor nationale belangen wordt gestreden.

Het is echter niet zo dat dit betekent dat nationale belangen niet naar voren komen in politieke besluitvorming. Neem de Brexit als voorbeeld: het Europarlement staat volgens Heeres ‘aan de zijlijn’, terwijl vooral nationale regeringen besluiten wat er precies gaat gebeuren. Hier komen de nationale belangen dus juist heel erg naar voren. Hoe zit het dan met wie wat bepaalt? Kijk hieronder in de Prezi voor een compacte uitleg.

Modderige midden

Inherent aan het modderige midden is de opstelling van het Europese parlement: 751 zetels verdeeld over 28 lidstaten. Nederland heeft 26 zetels in het parlement, dus zelfs als onze zetels allemaal naar één partij zouden gaan, zou Nederland nog steeds geen meerderheid in het Europarlement hebben, dus zal Nederland zich altijd moeten aansluiten bij een fractie.

Daarom zijn er verschillende Europese fracties en hier begint het ‘modderige midden’: allemaal verschillende partijen moeten met allemaal andere verschillende partijen gaan samenwerken. Wil men dat dit goed gaat, moeten er wat principes varen. Weinig plaats voor nationale belangen dus.

Volgens dr. Maurits Meijer, assistent professor politicologie aan de Radboud Universiteit, is dat ook een verklaring voor de lage opkomstcijfers bij de Europese verkiezingen: “Men kan niet stemmen voor een linkser, meer socialistische EU, noch voor een rechtser, meer conservatie EU.” Dat komt omdat Europarlementariërs zelf geen wetsvoorstellen kunnen doen en omdat de Europese Commissie, die dit wél kan, niet direct verkozen wordt. Maar dit is maar goed ook, als je het aan Heeres vraagt:

“Het Europarlement heeft eigenlijk relatief veel macht in de zin dat ze samen met de Europese Raad wetten, zoals voorgesteld door de Eurocommissie, aanneemt. Hoewel de Europese Commissie inderdaad het initiatiefrecht heeft, betekent dit in de praktijk dat zij nooit aan een wetsvoorstel zal beginnen te schrijven alvorens ze niet op de een of andere manier gestimuleerd is geweest door een “oproep” van hetzij het Europese Parlement of de Raad. Indien het initiatiefrecht bij het Europarlement zou liggen, zou al snel het risico ontstaan dat Europarlementariërs wetten gaan voorstellen buiten het mandaat van de EU, met alle gevolgen vandien.”